Oorlog in een soepkom

Het is angstaanjagend, het komt dichterbij. Stefan denkt dat de dienstplicht terugkomt, dan moet hij strijden voor een volk waar hij toevallig deel vanuit maakt maar waar hij niet voor heeft gekozen. Liever was hij in een ander land geboren, een dunbevolkt eiland met weinig mensen en veel natuur, een land met duidelijke grenzen en afspraken zodat iedereen zich weet te gedragen om de vrede te bewaren. Als het toch zo ver komt en hij wordt opgeroepen dan moet hij vechten tegen soldaten die een andere taal spreken en hem vanachter aanvallen als hij in camouflagepak tussen het riet in een weiland ligt, op zijn hoede voor wat komen gaat. Een kogel zoeft door zijn achterhoofd naar voren en stopt net boven zijn linker oogkas. Het licht valt uit, bloed slingert over zijn wang en blijft steken op zijn kin.
‘Elvis, hoor je nou wat ik zeg?’
Een vis hangt op zijn kop, stevig onder de staart vastgepakt, alsof hij kan opleven en ontsnappen.
‘Een brasem, een rottige vis om te bereiden maar eenmaal aan de haak kan ik hem niet laten gaan.’
Wat een idioot is haar vader toch, hij zou zich nuttig kunnen maken, zich inzetten voor vluchtelingen en koken voor gezinnen die uitgehongerd zijn na een lange reis. Hij zou gesprekken met ze kunnen voeren, het trauma delen, de beelden die in het hoofd zijn opgeslagen samen opvangen, hij kan ze kleding geven en een bad, papieren regelen die ze nodig hebben om hier te kunnen verblijven. In plaats daarvan verdoet hij zijn tijd aan de waterkant om het leven van een vis te beëindigen.
Ze haat vissen, de structuur van de huid, de ogen die uitpuilen, de domme vissenmond.
‘Moet je eens voelen, een huid als schuurpapier. Het zal me wel wat tijd kosten om hem van alle botjes te ontdoen maar met olijven, venkel en citroengras ligt hij vanavond in ruste op je bord.’
Weer zo’n tijdverspilling, hij had beter broodjes kunnen smeren voor een paar gezinnen in nood.
‘Het is zielig om zo’n beest aan een haak uit zijn leefruim te trekken, weg van zijn familie en zijn veilige omgeving. Dat beest voelt opeens de kou van de lucht en een haak in zijn keel. Ik vind het moorddadig om zo’n beest te laten lijden.’
In de keuken wordt het van zijn vel ontdaan, haar vader draait zich om.
‘Daar merkt hij nauwelijks iets van, pijn ervaren is iets anders dan lijden. Mensen lijken nu eenmaal niet op vissen, we weten niet hoe het is om onder water te leven en te communiceren via geheime vissentaal. We kunnen ons niet in hun lijf inleven, laat staan een vissenbrein benaderen, wij zijn niet bij machte in hun huid te kruipen zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij een koe.’
‘Waarom eet je vlees als jij je het leed van een koe kunt inbeelden?’
Met een vispincet wordt er druk geopereerd, hij heeft zelfs zijn vissenbril op, een leesbril die hij alleen tijdens het fileren van vis opzet.
‘Dat heb ik niet gezegd, wel kan ik mij voorstellen hoe zo’n beest lekker in een kudde staat te grazen en geniet van de hap gras die hij doorslikt, uit boert en weer doorslikt. Stel je voor dat een mens daartoe in staat zou zijn, dat zou toch gauw een kilootje of tien op jaarbasis schelen. Nee, het is niet verkeerd om een koe te zijn.’
Veel te lang duurt dit onzinnige gesprek, in die tussentijd had hij vluchtelingen kunnen opvangen of kleding naar het verzamelpunt op school kunnen brengen.
‘Kunnen wij een Oekraïens gezin in huis opnemen?’
De pincet valt op de grond.
‘Hè Elvis, wat is dit nou weer voor onzin. Waar moeten we die mensen laten? Ik snap best dat deze oorlog allemaal heroïsche gevoelens oproept, maar we moeten wel realistisch blijven.’
‘Ze kunnen gemakkelijk op mijn kamer, ik slaap wel op de bank.’
Een gepuf en gestamp klinkt uit de keuken, het pincet valt voor een tweede keer op de grond terwijl hij zich omdraait.
‘Op jouw leeftijd wilde ik ook iedereen helpen, ik liep met spandoeken wanneer ik dacht de overheid er een dreun mee te geven. Ik had ook werkelijk het idee dat er naar mijn stem werd geluisterd, dat mijn mening er toe deed omdat iedereen dezelfde met mij deelde. Daar was ik van overtuigd. Ik liep mee in demonstraties van Amnesty en ik voelde mij daar bijzonder goed bij. Ik snap dat je wilt helpen.’
‘Het kan ons ook overkomen.’
‘Nee hoor, als we gaan is het door een chemische aanval. Als we verlost worden van ons menselijk lijden, dan zal dat in een laatste adem zijn en gaan we allemaal tegelijk. Ik vind het een troostende gedachte, geen onderscheid, geen verraad, geen onnodig verzet maar een totale overgave.’
‘Denk jij dat de dienstplicht terugkomt?’
‘Nee, mocht het leger moeten worden uitgebreid dan gaan daar jaren overheen, ze gaan toch geen scholieren met een geweer en een handgranaat op pad sturen? Bovendien valt er op de grond geen oorlog te voeren, een nucleaire aanval is definitief.’

Ze is enigszins gerustgesteld, de vis ligt zonder zijn vel op een plank, veel van zijn graten liggen op een bordje ernaast. Het slachtoffer van een visvangst door een man die zich had kunnen inzetten in deze tijden van oorlog.
‘Ik maak er vissoep van, een handvol garnalen, wat witvis, een bouillon, we maken er een feestje van.’
Dode vissen in een soepkom kunnen geen feestje bouwen. De mensen in de straten van Boetsja waren misschien op weg naar een verjaardag voordat ze werden vermoord, ook in een oorlog gaat de jaartelling door. En net voor de hoek van de straat waar die ene fietser wil afslaan komt er een colonne voorbij. De fietser denkt nog, ‘daar komen de Russen.’ Hij snelt de hoek om, hoort een schot en valt om. Hij voelt dat het voorbij is en wil zijn hoofd voorzichtig omdraaien om nog een keer de lucht te zien maar krijgt een tweede kogel.
‘Wat ben je toch afwezig de laatste tijd Elvis, hoor je nou wat ik zeg? Als je wilt kan ik weleens voor een paar vluchtelingen koken. Niet dat ze iets tekort komen hier, daar is Nederland een kei in. Voordat we het weten barst het land uit zijn jasje en wonen we me z’n achttien miljoenen in een land dat steeds meer zijn eigen groen opeet.
De natuur, de beschermde gebieden komen dan in een zeer bedreigende situatie terecht omdat we zo nodig moeten bouwen.’
Elvis stapt op de fiets, op weg naar Stefan. Eigenlijk is het overal oorlog, tussen buren en dieren, de bladeren van de bomen in gevecht met de wind, het is niet anders geweest. Ze zal ermee moeten leven, met de dreiging en de angst, en de aanvaarding dat het altijd zo is geweest. Oorlogen en rampen moeten nu eenmaal de aarde in evenwicht houden.
Langs het pad volgt ze de bocht naar rechts en maakt een omweg naar het Kanaal. Ze legt haar fiets in het gras en tuurt in het water. Daar gaan ze, de vissen in vrijheid, ze zwemmen achter elkaar aan en maken soms een rondje. Een eigen wereld onder water. Ze kijken omhoog, de vissenogen zijn doods, alsof ze weten wat hen te wachten staat.
Als ze haar fiets oppakt, komt er net een man aan met een krukje in zijn hand, de hengel onder de arm gestoken.
Ze mag dan een hekel hebben aan vissen maar dit gaat haar te ver, massamoord onder water.
‘Geen vis te bekennen hier.’
De man zet zijn belachelijke hoedje af, het veertje is natuurlijk ook weer van een dood dier.
‘Vorige week was het anders helemaal vol hier.’
‘Nu niet meer, er is een bacterie gevonden, u moet echt afstand houden, het hele kanaal is verziekt.’
‘Ik wil dat graag met mijn eigen ogen zien als je het niet erg vindt.’
De man loopt richting het kanaal.
‘U moet nu echt blijven staan en geen stap meer verzetten, volgt u het nieuws niet?’
Vertwijfeld loopt de man naar zijn auto, hij draait zich om.
‘Wat doe jij hier dan eigenlijk?’
‘Redden wat er te redden valt meneer, het is nooit te laat.’
De man rijdt aarzelend weg, ze loopt terug en kijkt nog even het water in. Drie vissen kijken haar aan, de bolle ogen glimmen, ze draaien een pirouette op hun vin van goud en openen hun mondje, ze zingen in een onbegrijpelijke taal. Alle vogels fluiten mee, er komt zelfs een eekhoorn voorbij gesneld. De vissen gooien hun lijfje even boven water en klapperen met hun vin. Elvis deint mee op het gespartel boven water. Het zijn eigenaardige beesten, ze begrijpt ze wel. Ze happen naar lucht en willen leven, iemand moet ze zien, iemand moet ze redden, iemand moet deze moorddadigheid stoppen. Ze leest de vissenogen en begrijpt de taal, de monden vormen een rondje, Elvis bukt naar voren en legt haar oor op het water. Het is een wonder, ze hoort het goed; ‘Red ons Elvis, je bent een held.’

Foto door cottonbro op Pexels.com


Verlokking van de jungle

Stegemans kijkt voor zich uit, zijn hand gaat over zijn hals. De stoppels voelen als prikkeldraad, hij denkt vast hoe het is om aan de strop te hangen, bewusteloos te raken en na zo’n acht minuten morsdood te zijn. Ze kijkt hem na als de bel gaat en ze het lokaal uitloopt. Hij staart uit het raam, zijn rug rouwt.
Sem hapt in zijn broodje, de mayonaise kleeft zich vast aan zijn mond, ‘tegenwoordig kan je niets meer zeggen als man.’
‘Stegemans moet oppassen, het is gewoon een viezerik,’ Sanne nipt van haar cola, ‘Elvis, wat vind jij er nou van? Hij kijkt jou ook altijd aan met zo’n blik.’
‘Hoe moet die man anders kijken als de helft van zijn klas in naveltruitjes zit? Sorry hoor, jullie lokken het zelf uit.’
‘Dus wij spelen nu opeens de hoer, Sem?’
‘Nee Elvis, natuurlijk niet.’
‘Nee, wij zijn prostituees waar niet voor wordt betaald. Jullie zijn allemaal hetzelfde, de hele dag lopen gluren en ’s avonds in bed lekker tegen je kussen aan schuren.’
Sem kijkt even op, ‘nou sorry hoor Daan, jij bent wel de allerlaatste.’
‘Dus je fantaseert wel?’
Elvis pakt haar tas, ‘kom Daan, ik ga naar huis.’

Haar moeder hangt in de pauwstoel, haar benen bungelen over de leuning. Met haar ogen gesloten luistert ze naar nerveuze klanken, alsof de saxofonist niet zeker weet welke toon aan te slaan. Die pianist lijkt ook dwalende, jazz lijkt een zoektocht te zijn.
‘Hee Elvis, daar ben je!’ Met een sprong ploft haar vader op de bank.
‘Sinds wanneer drink jij thee?’
‘Dat doe ik niet, dat is de pot van jouw moeder, kijk eens hoe lekker ontspannen ze is.’
Ze snurkt zachtjes, een speekselsliertje druipt over haar wang. Mensen die om vier uur ’s middags in slaap vallen worden snel oud. In die verspilde tijd kan haar moeder zoveel andere dingen doen.
‘Ik heb haar slaapthee gegeven, dan ontspant ze lekker, ze heeft een drukke dag gehad en behoefte aan rust.’
‘Ik zou ook behoefte hebben aan rust als ik hier de hele tijd naar moet luisteren.’
‘Elvis dit is jazz, straks laat ik je iets horen van de heerlijke Ella Fitzgerald.’
‘Dat mag je niet zeggen.’
‘Wat niet?’
‘Heerlijke Ella Huppelepup.’
‘Elvis, zo voed ik je niet op, ik ga hier niet in mee.’
‘Het is seksueel overschrijdend gedrag.’
‘Wat een onzin, al die vrouwen zitten opeens te janken en weten van niets. De vrouw is de grote verleidster maar speelt de vermoorde onschuld. Weet jij hoe vrouwen over mannen praten? Ik ving ooit eens een gesprek op tijdens een feestje. Alle delen van het mannelijk lijf werden uitvoerig besproken, de vunzigheid droop ervan af. Onderschat vrouwen niet. Natuurlijk mag je niet aan een vrouw zitten als ze daar niet om vraagt maar ze hoeft zich niet aangerand te voelen als ze een schouderklopje krijgt. Onze samenleving is aan het vertrutten en voordat we het weten zitten we opgesloten in een maatschappij waar de doodstraf volgt na het uitwisselen van een zwoele blik.’
Hij slurpt uit zijn lege mok, ‘als ik wil zeggen dat Brigitte Bardot vroeger een bloedmooie seksbom was, dan mag ik die woorden gebruiken om mijn gevoel uit te drukken. Dat de stoeipoes niet lekker is opgedroogd, mag ik ook zeggen. We leven in een democratie. Seksueel overschrijdend gedrag, laat me niet lachen.’
‘Sanne gaat Stegemans aanklagen.’
De mok wordt gevuld met koffie, ‘Sanne, dat meisje dat hier ooit eens aan tafel zat in die korte rok?’
‘Waarom weet jij dat nog?’
‘Omdat ze nog net niet in d’r blote kont haar tanden zette in mijn gebraden citroenkip, ik vond namelijk dat ze het beest onwaardig was. En Stegemans, is dat die docent maatschappijwetenschappen?’
‘Klopt.’
‘Wat heeft die man misdaan dan?’
‘Hij zei dat ze een erg strakke broek aanhad.’
Haar vader hapt in een gevulde koek.
‘Ze kon er nauwelijks in lopen en probeerde hem dicht te ritsen terwijl ze de klas inliep.’
‘Dat is dus een constatering Elvis, kom op zeg, dat verschil zie jezelf toch ook wel? Die meid is erop uit om hem onderuit te halen, het zou me niets verbazen als ze onvoldoende stond voor zijn vak.’
Hij blaast de kruimels op de grond.
‘Ze staat een vier.’
‘Dat bedoel ik nou. Zo’n streek kan ook mij worden geleverd, daarom voel ik sympathie voor deze man. Begrijp me niet verkeerd, er zijn mannen die misbruik maken van hun status maar vrouwen doen dit net zo goed. De invloed van macht op het gedrag kun je niet veranderen Elvis, dan moeten we opnieuw geschapen worden en een chip in ons brein krijgen die ons herprogrammeert. Ik neem het toch even op voor mijn volk, de mannen die van niets weten en worden misleid of door de heersende opinie ten val worden gebracht. Nogmaals, mannen die niet deugen mogen van mij een plek tegen de muur krijgen. De eerste die aan jou komt is nog niet jarig, die wurg ik met mijn eigen handen.’
Haar moeder strompelt uit haar stoel.
‘Wat is hier nou aan de hand?’
‘Niets Els, ik schets alleen een denkbeeldige situatie.’
Behoedzaam neemt haar moeder plaats op de bank, ‘o gelukkig, mannen zijn schoften hoor. Die hebben iets tussen de benen hangen dat vaak een eigen leven leidt. Kerels sissen, roepen, fluiten, lopen je achterna, gaan naast je zitten op de lege barkruk of in de trein wijdbeens tegenover je, ze stalken je na een afwijzing en laten hun hand net iets te lang op schouder of knie rusten. Het zijn seksmaniakken, de hele dag door denken ze aan niets anders, beesten zijn het, opgejaagd wild, ze zouden allemaal in therapie of op yoga moeten om het dier in zichzelf te temmen.’
Ze knijpt haar vader in de wang.
‘Bart, dat kan je niet ontkennen toch?,’ ze draait een kwartslag en streelt met haar voet zijn gezicht.
‘Dit bedoel ik nou Elvis, het mes snijdt aan twee kanten.’
Elvis loopt de trap op. Haar vader maakt een grommend geluid, haar moeder kirt. Ook haar ouders zijn dieren, ze wil het gewapper van de vleugels niet horen. Dieren eten elkaar op, het is een overleving.
Ze doet haar oortjes in. Ouders moeten seksloos zijn, als een dove kwartel en een blinde vink overleven in de jungle die hen niet past. Alle andere dieren die zich als ouders misdragen en zich in de natuur laten gaan, zich ongegeneerd overgeven aan de verlokking van de jungle en hun kind blootstellen aan oerwoudgeluiden, zouden aangeklaagd moeten worden voor seksueel overschrijdend gedrag. Niemand heeft haar die kant van de jungle laten zien, geen mens vertelt haar hoe de vogel uit de bek van de leeuw kan blijven, want het is uiteindelijk de vogel die vaart maakt en de leeuw in zijn brullende leegte achterlaat.



Foto door Alexas Fotos op Pexels.com

Hoe broos het leven is

Het is een dag zoals andere, als ze het loopje van de bladeren volgt en de wind gelooft op zijn ruisen, vermoedt ze dat het een dag wordt die niet opvalt, een die haar met rust laat, haar laat varen op het vertrouwen. Er is geen verjaardag, geen feest, misschien overlijdt er iemand ver van haar vandaan en is er verdriet van een ander. Vandaag op school lijkt alles te verlopen zoals altijd. Toch is er altijd wel een luikje dat plots openwaait, met nieuws dat zich moet openbaren.
Directeur Poelsma marcheert binnen, haar pumps zijn niet voor deze tred gemaakt, ze houdt zich nog maar net staande aan het bureau van Bloemingh. De papieren onder haar arm maken indruk, enkele zinnen krijgen een rode onderlijn. Ze mompelt wat, de docent slaat haar hand voor haar mond en vindt steun op haar stoel, de directeur richt zich tot de klas.
‘Jeroen Postberg, jullie wel bekend, is met spoed opgenomen in het ziekenhuis, hij is aangereden door een vrachtwagen. Over zijn situatie kan ik helaas niets zeggen. Wat ik alleen wel weet is dat het hoogstwaarschijnlijk een ongevalletje dode hoek is. Daarom heb ik met alle docenten overlegd om de les zoals hij nu wordt gegeven te staken en aandacht te besteden aan dit dodelijk wapen. Het is niet de eerste keer dat een van onze leerlingen ons is ontvallen na een incident met een dergelijke spiegel.
‘Is Jeroen dood dan?’ Joris wipt op zijn stoel.
‘Hij is niet dood, hij leeft. Nogmaals, over zijn situatie tast ik nog volledig in het duister.’
Ze kijkt onderzoekend de klas in en zet haar zonnebril af, ‘juist ja.’
Jeroen, de jongen met de krullen, zou hij op zijn skateboard zijn geweest? De jongen met de tattoo had waarschijnlijk zijn oortjes in. De jongen met de geruite shirts. Waarom waarschuwde niemand hem? De jongen met de zwartgelakte pinknagels.
Al gauw verschijnt er een filmpje op internet, Jeroen op zijn skateboard zonder oortjes in maar lachend aan de telefoon zwevend over het kruispunt richting de Van Traalaan. Hij ziet het niet, waarom waarschuwt niemand hem voor het naderend onheil? Een vrachtauto slaat af, Jeroen roetsjt de bocht om.
‘De lach zit in jou’, een clown wijst met zijn witte handschoen naar een tekstballon in de vorm van een rode neus, ‘Gebroeders Baan, feestartikelen voor een lach met een traan,’ de vrachtauto verdwijnt uit zicht, mensen snellen toe. Een vrouw bedekt hem met haar jas, op dat moment stopt het filmpje.
‘Wat betekent dit nou?’
Elise bekijkt het filmpje nog eens voor het geval zij iets over het hoofd ziet, een teken, een verlossend antwoord, een verwijzing. Bloemingh haalt het groepje uit elkaar.
‘We moeten afwachten, meer kunnen we niet doen. Zoals directeur Poelsma mij heeft verzocht, zal ik uitleg geven over de dode hoek bij een vrachtwagen.’
Haar docent laat een filmpje zien. Een vrachtwagenchauffeur stuurt met zijn linkerhand, terwijl zijn rechter een frikandel naar zijn mond brengt. Zijn bierbuik hobbelt onder het stuur, om de paar kilometer zwaait hij naar een collega. Elvis heeft nooit geweten dat er zoveel vrachtwagens op de weg zijn. Hij stapt uit en belt.
‘Kijk, hij gebruikt zijn verstand door netjes uit te stappen. Dat is les een, houd je telefoon in je broekzak als je onderdeel uitmaakt van het verkeer.’
Bloemingh hapt in haar appel. Haar ogen glunderen alsof ze naar een romantische speelfilm kijkt. Zou ze op die chauffeur vallen? De man staat nog steeds te bellen en brengt plots zijn hand naar de achterkant van zijn broek. Zijn bierbuik gaat op en neer als hij zich uit de voeten maakt. Met een ruk trekt hij de wc-deur open en snelt naar binnen. Niet veel later rijdt hij weer over de wegen, zijn linkerhand aan het stuur, zijn rechterhand graait in een zak pinda’s.
De wc-deur waar het wemelt van de bacteriën is de man even vergeten, hij likt het zout van zijn vingers. Tijdens vakanties verbiedt haar vader gebruik te maken van openbare wc’s, waardoor er een spoor urine langs de autoroute du Soleil naar haar huis leidt.
‘Eindelijk, we komen bij het bewuste fragment aan.’
Het klokhuis wordt naar binnen gepropt, ‘let op de vrouw op de fiets.’
De camera zoemt in op een blauwe jas.
‘Kijk, ze komt vast van de markt, haar mand voorop zit volgeladen met fruit. Dat maakt het nog treuriger, wij weten dat ze zo wordt geschept door de vrachtwagen.’
‘Natuurlijk weet zij dat ook, deze situatie is toch nagespeeld?’
‘Jos, ga alsjeblieft even mee in het moment, in de fantasie en de gedachte dat dit ons allemaal kan overkomen. De les die we hieruit trekken is: blijf alert. En dat lukt niet met een telefoon in de hand, fruit in de mand, intussen bedenken hoeveel appeltaarten daarvan gebakken gaan worden of oortjes in die je afsluiten van omgevingsgeluiden die je behoeden voor een groot onheil.’
‘En met een hand aan het stuur rijden terwijl je een frikandel weg kaant, mag wel?’
‘Nee Elvis, dat mag ook niet, we hebben hier te maken met een regisseur die een stereotype neerzet. Laten we de invulling van zijn dagbesteding even achterwege laten en ons concentreren op de fatale verkeershandeling.’
De vrouw fietst rechtdoor, de chauffeur kijkt in zijn rechterspiegel en slaat rechtsaf. De achterste banden verpletteren een tros bananen, appels rollen over de weg, de vrouw ligt bewegingloos onder haar stuur. Het fruit verspreidt zich verder over de weg, als een mislukt stilleven. Langzaam draait de camera weg.
‘Kijk, hoe broos het leven is. Deze vrouw wordt in een klap uit het leven getild, op haar tafel staat vanavond geen verse appelmoes.’
Iedereen is er stil van. De vrachtwagenchauffeur rijdt gewoon door, het schlagerfestival op de radio overstemt de val, even voelt hij een porretje aan de zijkant van zijn truck maar hij vermoedt dat het de wind is.
‘Ondanks alle camera’s en spiegels kunnen we ongelukken als deze niet ontlopen, een dode hoek is onvermijdbaar.’
Poelsma komt binnen, haar pumps strijden voort, ‘ik heb net met Jeroens ouders gesproken, de situatie is kritiek. Alsjeblieft jongens, kijk uit als je straks weer op de fietst stapt. Er zijn mensen die thuis op je wachten, een heel leven hebben jullie in het vooruitzicht. Wij zijn niet onsterfelijk, een draai aan een stuur, een vlaag van een wind, een liedje op je oren, het kan bepalend zijn.’
Ze trekt haar schoenen uit en verlaat de klas op blote voeten.
‘Kijk, wat een symbolisch gebaar. We zijn allemaal tere schepsels. Neem afscheid als je ’s ochtends de deur uitvliegt, zelfs na een ruzie met je ouders, hoe moeilijk het soms is je trots opzij te zetten. Niet iedereen komt weer thuis.
We zijn miezerig en toch zo arrogant te denken dat we onverwoestbaar zijn.
Ik weet het, op jullie leeftijd is er geen absoluut getal, geen einde aan een tunnel, het bestaan lonkt naar oneindigheid maar als je wat ouder bent, groei je naar bewustzijn toe en kom je tot besef dat je maar een leven hebt.’
Daar is Elvis niet zeker van, zolang ze maar niet terugkeert in het lichaam van een wandelende tak.
Op de fiets doet ze haar oortjes uit, ze hoort de wieltjes van Jeroens skateboard, zijn stem. Hij moet overleven en terugkeren, zonder Jeroen zal de klas kleurloos zijn. Ze stapt van haar fiets en wandelt terug naar huis. Nooit zag ze bloemen verscholen in de struiken van het park, de besjes langs het paadje die leiden naar de kastanjeboom. Nooit geweten dat ze zich zo beschermd voelt onder zijn takken. Een vrouw met een wandelstok tikt op haar schouder.
‘Als kind kwam ik hier al. Kijk, hoe mooi de groeven lopen, de kastanjes die hier liggen zijn heerlijk, die kun je gewoon in de oven leggen. Al achtentachtig jaar raap ik ze hier op, de laatste jaren zoek ik een toevallige voorbijganger die mij wil helpen.’
De vrouw reikt haar boodschappentas aan.
‘Ik weet het, jouw generatie beleeft geen geluk aan kastanjes rapen. Het gevoel is jullie vreemd, romantiek behoort tot het verleden. Het wrange aan ouder worden is het verlies van het tastbare, je vriendinnen, je man, zelfs de kist van mijn eigen kind heb ik dichtgeschroefd. Mensen gaan zonder een laatste woord, alleen een zin blijft als herinnering of een enkel woord dat later zoveel meer betekenis krijgt. Soms is het beter om vroeg te sterven, als een held, een Monroe of James Dean, het riddert je tot een legende. Nee, ouder worden valt niet mee.’
Haar handen bestrijken de boom als ze haar ogen sluit.
‘Deze boom is de enige die de snede in mijn ziel voelt, we zijn wat dat betreft uit hetzelfde hout gesneden.’
Ze geeft een knipoog weg, Elvis overhandigt haar de volle tas.
‘Als ik ze straks eet, proef ik de herfst uit de vorige eeuw. Dat is een andere smaak. Ieder jaar een nieuwe kleur.’
Ze knijpt Elvis in de arm.
‘Word maar niet zo oud als ik hoor maar als je toch besluit te leven, doe het dan voluit. Beter kort en krachtig, dan lang en loom.’

Ze schuifelt het paadje af, Elvis stapt op de fiets, doet haar oortjes in en maakt vaart. Onderweg rijdt ze bijna een vrouw op het zebrapad omver, ze fietst door het rode licht, zwaait naar een vreemde jongen en schreeuwt klanken uit. Ze trapt door en voelt de kou langs haar oren suizen. Eenmaal thuis, smijt ze de deur dicht en gooit ze haar jas uit.
‘Mam, ik ben thuis!’
‘Dat hoor ik.’
Haar moeder komt aangetrippeld op haar veel te jonge sneakers, ze lijkt op een meisje in een ouder lichaam. Haar knieën vertonen het vlees dat zich ooit strak om de knieschijf spande. Elvis tilt haar op, haar moeder gilt het uit.
Ze houdt van het leven, ze wil onsterfelijk zijn. Ze is niet dood, ze leeft.



Foto door Erik Mclean op Pexels.com

Smaak van herinnering

‘Seks, er hangt hier zoveel seks in de lucht.’
‘Ik voel anders niets hoor.’ Haar moeder zit fier op het zadel en kijkt naar een etalage vol hooggehakte schoenen.
‘Dat voel je ook niet, dat ruik je,’ de lach van haar vader schalt door de Sankt Peders Straede.
‘Mam kijk voor je, je fietst door rood.’
Dit is het laatste jaar dat ze met haar ouders op vakantie gaat, besluit Elvis. De eerste dagen in Denemarken verlopen probleemloos, ze varen op een bootje over een rivier, liggen languit aan de oever en verzinken in gedachtes waar niemand bij kan. Ze wandelen over kinderhoofdjes en bewonderen het avondrood. De rust van het land overheerst, de stilte kapselt in en beklijft tot de volgende wending, de trip naar Kopenhagen. De omschakeling naar het stadse leven is abrupt en lijkt op een vergissing, alsof de rust van de dagen ervoor een verzinsel is, een hersenspinsel, misschien zelfs niet heeft plaatsgevonden. Stilte kan veel oproepen, onverwachte gevoelens, angsten, vertwijfeling, eenzaamheid, Elvis mist haar vrienden. De gesprekken, het begrip, de wens om gehoord te worden groeit met de dag. Haar ouders zitten op een eiland, het is haar nooit eerder opgevallen maar ze varen langzaam weg, of misschien is zij het die afstand neemt.
Een auto trapt op zijn rem. Haar moeder roept iets in het Duits en gebaart, ze stopt voor een winkel. De enige paspop in de etalage geeft vorm aan een rode jurk, de stof valt sierlijk om de scherpe belijning.
‘Nu snap ik wat je bedoelt Bart. Alleen ruik ik het niet en voel ik het niet, ik zie het.’
De fiets wordt tegen het raam gezet en billen wiegen de drempel over. De vierkante brillenglazen van de verkoper schamen zich blijkbaar voor zijn wangen. Als twee schilderijlijsten houden ze de vleeslappen in bedwang, de twee Deense bergen willen uit het montuur stappen. De man loopt haar moeder tegemoet en duwt met beide handen zijn brillenpoten naar achteren. Alles is groot aan hem.
‘Een Deense Viking, wat een handen,’ haar vader zet zijn fiets op de standaard, ‘kijk, ze is gelukkig.’
De Viking voert haar mee naar de rode jurk. Haar moeder maakt huppeltjes op haar hakken en draait rondjes met haar slierten haar.
‘Jij niet hoor, als je straks het prijskaartje ziet.’
Elvis’ vader gromt en steekt de straat over naar een vinylzaak, wat wil hij toch jong lijken, altijd overdreven lyrisch doen over een elpee, veel geld neerleggen voor een beduimelde hoes met in de rechter bovenhoek een beschadiging door een losgetrokken prijsje, wat dan weer volgens hem doodzonde is omdat het guldenteken goud waard is. Constant verlangen naar die onbenulligheden. Ruiken aan een papieren platenhoes, de groeven met je vingertoppen voelen, met het borsteltje waarmee je het stof van de naald haalt over je vingertop strijken. Waar doen ze het voor? Waarom zou je verlangen naar iets dat er niet meer is?
Is het niet zinvoller te hunkeren naar iets wat binnen je bereik ligt? Een reis, een nieuwe elpee van muziek die je niet kent? Waar je blij van wordt in plaats van met weemoed te luisteren naar een verzonken tijd? Ouders laten zich vaak lamleggen door zelfmedelijden. Hoe vaak haar vader niet zit te janken tijdens het draaien van een elpee die telkens overslaat en dan ook nog eens uitroept: ‘hoor je het knallen van de zweep, helemaal grijs gedraaid.’

‘Baaaaaart, kijk nou toch!’ De man met de bril laat zijn winkel in de steek en neemt Elvis’ moeder mee naar de platenzaak aan de overkant. Haar vader neemt het montuur lachend over en zet de belachelijke bril van de Deen op, moeder draait pirouetjes. Zijn ogen bewonderen niet de jurk, maar zoeken het prijskaartje dat aan de binnenkant op de rug hangt. De Deen zet zijn kunstwerk weer op de neus, haar moeder giebelt het uit en kan de graaiende mannenhand maar moeilijk handelen. Nadat het prijskaartje is gevonden, ebt het gelach weg tot het geheel opgaat in de wolk boven de Sankt Peters Straede.
Langzaam steken haar ouders de straat weer over, binnensmonds ruziënd over de prijs. Als haar moeder naar Elvis’ mening vraagt, krijgt ze een eerlijk antwoord.
‘Hij staat je goed, je straalt.’
‘Dat is nou weer het verkeerde antwoord Elvis. Wanneer trekt je moeder nou zo’n jurk aan?’
‘Als ze zich lekker voelt en, zoals jij roept, er seks in de lucht hangt.’
Vertwijfeld graait hij naar zijn portemonnee, ‘wat weet jij daar nou van?’
Haar moeder is in lange tijd niet zo verrukt geweest, ze geeft haar een blik van verstandhouding. Eigenlijk geeft ze haar moeder zelden gelijk, waarom weet ze eigenlijk niet. De rode jurk glanst om haar lijf, ze trekt haar hakken uit en bewondert het satijn, de bandjes houden de decolleté in vorm. Hoe moet het zijn om ouder te worden en de bloei te zien sterven? Hoe is het als het strakke vel zich transformeert tot gebroken lijnen op ruwe huid? Komt daar misschien de verwondering voor de eigen jeugd vandaan, de herontdekking van iets tastbaars uit een tijd waarin beloftes nog werden ingewilligd? Houdt vinyl de geest jong, het lijf veerkrachtig?
Haar moeder draait haar rug naar Elvis en wijst naar de rits. Elvis trekt de sluiter naar beneden, een wit prijskaartje prijkt op haar rug.
‘Je weet dat het bedrag in kronen staat vermeld?’
‘Ja natuurlijk weet ik dat. Zelf heb ik nog nooit zoveel geld uitgegeven aan kleding. Het komt in de buurt van mijn eerste auto in de tijd dat ik student was. Een Seat Stella.’
‘Ach ja, die ken ik nog, kijk nou hoe jij erop vooruit bent gegaan. Nu kan je je eigen Jaguar berijden.’
Elvis houdt niet van seksistische opmerkingen, vooral niet uit de mond van haar ouders.
Met veel bravoure haalt haar vader de kaart door het apparaat. Het montuur verpakt de doos in zwart papier en doet er een strik omheen. De mannen geven elkaar een knik, haar vader geeft nog een extra klap op de schouder. Eigenlijk is het meer een dreun, het montuur daalt een eind van de neus.
‘Zo, jij je jurk, ik mijn elpee. Ik zat te twijfelen over een dubbelelpee van de Stones van driehonderd euro. Het is een bijzondere die ik zeker voor zo’n drieduizend kan verkopen, vooral omdat Charlie Watts ons is ontvallen.’
Haar moeder wil protesteren maar heeft natuurlijk geen recht van spreken, ‘wat bedoel je?’
‘De drummer van de Stones is toch overleden van de week? Deze elpee is al een bijzonder exemplaar door het rauwe vroege werk maar dit maakt hem nog specialer.’
‘Dit?’
‘Doe nou niet alsof je mij niet begrijpt. De dood is abstract, daar heb ik geen vals sentiment bij. Ik koop die elpee en zo verdien ik hopelijk de aankoop van jouw jurk weer terug.’
‘Idioot dat iemand zijn dood geld oplevert.’
‘Elvis, helemaal mee eens, maar kijk eens om je heen naar al die kunstenaars, Van Gogh, Brood, Hazes.’
‘Noem je Hazes een kunstenaar?’
Haar vader haalt diep adem en stapt op zijn fiets. ‘Op zijn manier was hij een kunstenaar maar het gaat om het principe, Elvis je begrijpt me wel, toch?’
Haar vader fietst naast haar en haalt diep adem, hij ruikt aan de lucht als een konijn, zijn neusvleugels maken een opwaartse beweging.
‘Ruik je het Elvis?’
Ze wil het niet horen, haar ouders zijn oversekste perverse mensen die zich overgeven aan de Deense lucht die inderdaad anders ruikt, daarin moet ze hem gelijk geven. Zoet en warm maar om daar nou lijfelijke verlangens aan te koppelen, hij stopt voor een kleine bakkerij.
‘Ruik je het? De geur van kaneelbroodjes, de oudste bakkerij van Kopenhagen sinds 1652.’
Hij trekt zijn longen vol suiker en slaat zich op de borst, zijn haar strijkt hij achter de oren, hij voelt aan zijn kin alsof hij zich scheert.
Haar moeder legt haar fiets dwars over het trottoir en kruipt bij haar vader weg, haar neus verdwijnt onder zijn oksel.
‘Ik ruik het lieve Bart, eindelijk ruik ik het. Er hangt liefde in de lucht.’
‘Ruik je het Elvis?’
Ja ze ruikt het, de geur van suiker en kaneel, zoet en onbedorven, zoals de geur van Jesse. Whisky en sigaretten, vermengd met de munt van zijn kauwgom. Misschien hebben haar ouders toch gelijk. Je kunt het ruiken. Verlangen.
Ze wil naar huis, heel snel terug naar haar vrienden en naar Jesse. Zijn spijkerjasje met het witte verfplekje op de rechterbovenhoek van zijn kraag. Daar wil ze naar toe. Ze snuift de suiker op en wil niets anders meer. Ze wil zoenen, in de regen, in de zon, in de wind, haar haren verstrengeld met die van hem.
Haar ouders komen met een zak kaneelbroodjes naar buiten, ze bijt in het broodje en proeft zijn huid. Ze ruikt aan de kaneel en voelt zijn adem. Als ze haar best doet, hoort ze zelfs zijn stem, zijn gefluister. Hij vertelt haar precies wat zij wil horen. Ze snuift haar longen vol, en bloost en mist het zilt in heimwee.



Foto door Davide Baraldi op Pexels.com

De stem

‘Hij is er altijd, een trouwe metgezel, zo een die verwoordt wat jij wilt zeggen, de emotie toont die op dat moment nodig is. Soms glijdt de Stem weg en ligt hij gestrekt in een stoel, in diepe slaap of is er een moment van stilte als er even niets hoeft. Het is eenzaam aan de top. Zijn omgeving, een welving van dalen en hoogtepunten heeft respect voor hem. Hij krijgt altijd voorrang en neemt de voornaamste plaats in, diep tegen het hart aan. Niet dat hij dit altijd waardeert, het hart heeft nu eenmaal een onberekenbaar karakter maar zo dicht tegen hem aangekleefd, vertaalt hij precies wat hij ingefluisterd krijgt.
Hij houdt van het ritme, de Stem legt klanken uit, geeft de persoonlijkheid van zijn gastheer weer, maakt vertaalslagen en lispelt wanneer dat nodig is. Hij geniet ervan om het uit te schreeuwen, naar buiten te zoeven en met zijn volume een zonnestraal op te pikken, ketsend tegen het gehemelte aan. Zijn gastheer maakt hier zelden gebruik van. Af en toe juicht hij tijdens een doelpunt van een belangrijke voetbalwedstrijd of een opwindend moment, een zegeviering. De Stem heeft het goed in zijn woning.
Dit leven bevalt hem, maar sinds een paar weken is er iets veranderd. Een vakantie lijkt aangebroken, vrij onverwachts. Meestal weet hij waar hij naartoe gaat, lacht een zonnig land hem toe waar hij drankjes en maaltijden in vreemde talen bestelt, klanken vormt die hij nog nooit heeft ervaren. Toch is het anders nu, er wordt geen beroep op hem gedaan, dagen gaan voorbij hangend in zijn ligstoel. Af en toe zet hij de wekker om te voorkomen dat hij voorgoed in slaap valt, dat zou zonde zijn, er is nog zoveel om voor te leven.
Bij navraag wordt hij niet veel wijzer, het hart is er ook van slag van. Hij kan geen hoogte krijgen van zijn omgeving, een geheim drukt zijn adem en het gevoel van vrijheid weg.
Als dit een nieuwe fase is, dient hij protest aan. Hij balt zijn vuisten en slaat tegen de poorten van het strottenhoofd. Heel soms ziet hij daglicht maar al snel valt hij terug in zijn donkere kamer. Hij wordt vast op de proef gesteld en mag misschien pas naar buiten als hij zich goed gedraagt. Er moet meer aan de hand zijn, zijn gastheer ligt vast in scheiding waardoor hij zijn klankbord mist, woorden ontbreken hem om een daad te bekrachtigen.
De Stem zal zich moeten overgeven en deze eenzaamheid zien te doorstaan, ademhalingsoefeningen toepassen om de kalmte te bewaren, op de ingelaste pauzeadem van zijn gastheer vertrouwen. Hopen dat hij zich weer mag uitspreken, laten zien wat hij waard is, de lucht aantippen, klagen, zijn uitingen van jubeltonen delen met wie hem lief is.’

Van Domselaar maakt een stopbeweging met haar hand.
‘Elvis, even tot hier. Ik kan je verhaal redelijk volgen alhoewel het een abstracte vorm betreft. Zit hier een boodschap in?’
Elvis heeft moeite met invallers, ze zijn wijsneuzerig en belerend. De schrijfopdracht ‘Geef leven aan het onmogelijke’, is vrij in te vullen. Haar vader kwam met ideeën om haar maatschappelijke betrokkenheid te laten zien, ‘het vergeten communisme’, ‘het doden van pasgeboren haantjes’ ‘de nieuwe stem van de democratie’. Zijn laatste voorstel bracht haar op het idee om vorm aan de stem zelf te geven, haar vader hielp haar en zo kreeg haar betoog vorm.
‘De poot van die opklaptafel uit die caravan uit Joost zijn verhaal, heeft die een boodschap?’
Van Domselaar kijkt Joost vragend aan.
‘Dat is aan de lezer, volgens mij zit er in elk verhaal een boodschap.’ Joost scrollt verder op zijn iPhone.
‘Nou Elvis lees maar door, ik vond het wat verontrustend klinken.’
Elvis neemt plaats achter haar tafel.
‘Nee, dat gaat nu niet meer, ik kan toch onmogelijk zomaar verder lezen middenin mijn afgebroken verhaal? Op die manier kan niemand het meer volgen. Eigenlijk is dit een vorm van censuur, u snoert mij de mond.’
Die Van Domselaar heeft de pik op haar. Gisteren wees ze naar haar truitje dat te laag zou zijn uitgesneden, en nu breekt ze in tijdens haar voordracht. Waar gaat ze haar cijfer op baseren?
Joost schuift zijn stoel naar achteren.
‘Inderdaad, nu kan Elvis haar verhaal niet tot een slotakkoord brengen, want wat u verontrustend vindt, noem ik pure poëzie.’
Hij geeft haar een knipoog, Elvis geeft een knikje terug, die Joost heeft eigenlijk wel wat.
‘Elvis, ik ben nieuwsgierig hoe het afloopt met de Stem, wil je je voordracht toch niet even met ons delen?’
‘Ik lever het liever in zodat u het kunt nalezen. Een verhaal kan maar een keer goed verteld worden.’
Haar naveltruitje maakt een sprongetje. Van Domselaar geeft een afkeurende blik weg. Elvis is er niet bang voor, ze heeft haar best gedaan, uren op haar kamer gezeten om haar cijfer op peil te houden. Als ze een laag cijfer krijgt, ligt het aan haar truitje en het onbegrip, de generatiekloof en de hooimassa in de hersenpan van Van Domselaar.
Ze weet waarom ze dit schrijft en natuurlijk zit er een boodschap in. Die docenten van tegenwoordig weten niets, ze horen je aan maar luisteren niet. Ze zijn hooguit bezig met hun eigen stem.
Haar docent heeft een piepstem, met het dichtgeknepen keeltje van een pasgeboren haantje hapt ze naar adem. Haar docent is een verloren stem, een die geluid voortbrengt maar geen contact legt, een stem in verbetenheid. Ze verdient geen stem, ze moet zitten in een hoek in het donker, glurend naar jaloersmakende navels en decolletés die niet de hare zijn. Ze moet luisteren naar woorden waar zij nooit op zou komen, haar leerlingen waarderen en opbouwende kritiek geven in plaats van ze te onderbreken in een voordracht.
Onderweg loopt Joost met haar op.
‘Ik ben wel benieuwd hoe het met die Stem afloopt?’
Zijn belangstellende blik is oprecht, Elvis mag hem wel.
‘Hij verhuist tijdelijk naar een bovenkamer met een gesloten deur en verandert van vorm. Noem het je innerlijke stem.’
‘O, je geweten?’
‘Nee, die woont eronder maar dat is een andere stem en tegelijkertijd zijn troost. Hij ontdekt allemaal verzwegen stemmen omdat hij nooit tijd nam om te luisteren. Hij gaat op ontdekkingsreis en komt er rijker van terug. De Stem leert geluid ontdekken op meerdere plekken en geeft een andere invulling aan zijn bestaan.’
‘Komt er een vervolg?’
‘Natuurlijk, een stem houdt nooit op met bestaan. Hij zal een comeback maken als hij genoeg heeft gecommuniceerd met zijn vrienden en hij zichzelf opnieuw uitvindt. Dat heeft tijd nodig. Wanneer hij en zijn gastheer er klaar voor zijn, komt hij naar buiten.’
‘Man, wat een feestje wordt dat. Ik wil hem graag leren kennen. Bel me, als het zover is.’
Elvis kijkt naar de rug van Joost, het kraken van het zwarte leren jasje, het ophalen van de schouders eronder, het loopje over het plein, de blik die hij haar geeft in zijn halve draai, ze kan er de woorden niet voor vinden. In die paar seconden geven zijn blauwe ogen de wereld zoveel meer betekenis.
Hij legt zijn tas op het trottoir en maakt een salto, een dubbele, en maakt een diepe buiging voor haar. Soms zegt een gebaar zoveel meer, daar valt elke klank bij in het niet. Wie heeft er nog een stem nodig?

Foto door Mary Taylor op Pexels.com

De bubbel van 1969

‘Als ik alles over zou mogen doen, vanaf de oorsprong, en zelfs het gewurm door het geboortekanaal opnieuw moet doorstaan, dan zou ik zeven keer rond de aarde gaan, mijn minnaressen bij naam noemen onder de gordel van Orion, en maakte ik een pirouette op een Budjonny op weg naar Wenen.’ Haar vader klapt zichzelf op de knie en kijkt zijn vrienden aan.
‘Tja, dat kan nou eenmaal niet.’ Willem wrijft zich achter zijn oor.
‘Nee droogkloot, zo ver was ik ook al.’
Vroeger was alles beter, de mensen zweefden de jaren door. De rokjes wapperden op als de tram klingelde en voorbij reed. Mensen liepen met een los bontje om de kraag van hun lange jassen, die ver tot over de knieën met de klinkers lonkten. De jaren vijftig waren vleugen van hoop, warme chocomelk met anijs brachten het volk in een gezamenlijke vreugde.
Elvis kent de verhalen van haar vader die ze weer overgeleverd kreeg van zijn vader. De betere tijden moet ze als waarheid aannemen, ze heeft geen vergelijkingsmateriaal. Haar vader vergelijkt de pandemie met de jaren zestig. De biertjes klinken en het vuur wakkert aan.
‘Was er toen ook zo’n virus?’
Willem wrijft zich achter zijn andere oor. ‘Dat heb ik dan gemist.’
Haar vader gaat rechtop zitten. ‘Nee Elvis, er was een bubbel, maar een andere dan waar we nu in zitten. Toch denk ik dat de meesten hem als minder positief ervaren en zich eerder opgesloten zien in een bunker.’
‘Anders ik wel,’ Willem trekt er nog eentje open.
‘Ik denk,’ haar vader schuift zijn benen ver uit elkaar, ‘dat wij onszelf overstijgen in onze welvaartsbubbel, het prachtige onderkomen waarin we ons alles kunnen veroorloven, zien we niet meer. We voelen de vreugde niet, we zijn gedegradeerd tot onderkruipsels van het systeem dat ons de afgrond in werpt.’
‘Welk systeem?’
‘Het financiële natuurlijk. Dat wat ons ontbeert is niets meer dan de absolute leegheid. Onze arrogantie de wereld te besturen, ons leven te beheersen heeft het nulniveau bereikt. Ik ben er blij mee, ook ik was mijn kompas kwijt, de wil om anders te kijken is terug. Eigenlijk heeft de pandemie mij gered van het nog dieper wegzinken in een elitaire ongelijkheid waarop de wereld is gestoeld. We zijn nu allemaal gelijk, iedereen kan aan de beurt zijn.’
Willem gaapt. ‘Welke bubbel was er dan in de jaren zestig?’
‘Ken je dat fenomeen niet?’ Haar vader schudt met zijn hoofd alsof er een aardverschuivende gebeurtenis over het hoofd wordt gezien.
‘Welk Menofeen?’ De schoenen van Willem kijken beduusd, ze verstoppen zich onder zijn stoel.
‘In de jaren zestig stond bubbel voor adem, voor licht en lucht. Huizen als bubbels werden ontworpen, lampen in dezelfde vorm hingen in woonkamers, maar de grootste bubbel vormde zich op Hawaï.
Een vulkaanexplosie bracht daar een bubbel van wel drieëntwintig meter hoog. Mensen vonden het een wonder, die immense rode lavabol aan de horizon werd het symbool van kracht en hoop.
‘Die bubbel waar we nu in zitten geeft toch geen kracht en hoop?’
‘Wel als je er anders naar kijkt Elvis, maar dat leer je later als je meer hebt meegemaakt, dan weet je een opening van een zwart gat te onderscheiden.’


Hij staat op en gaat naast haar zitten. Deze avonden zijn goud waard. Bij de vrienden van haar vader aanschuiven en luisteren naar hun verhalen. Kijken hoe ze aangeschoten worden, haar vader die op de gitaar speelt, het geluid van brandend hout, haar moeder die met bitterballen en pelpinda’s langsgaat, het biertje dat zij meedrinkt. Leunend tegen zijn schouder weet ze dat ze die bubbel niet met haar vader kan delen. Eigenlijk begrijpt ze niets van zijn verhaal, een bubbel ervaart zij als fijn samenzijn met iemand op een eiland waar je voor altijd wilt blijven, zoals ze weleens met Stefan heeft.


‘Hoe is de pandemie voor jou?’ Haar vader kijkt haar aan, ze wordt nog net niet dronken van zijn adem.
‘Niet leuk, ik kan nergens heen, alle cafeetjes zijn dicht, ik mag niets. Ik mag niet in groepen lopen of fietsen, in supermarkten word ik ontweken. Als ik per ongeluk kuch, hollen mensen weg. Op school zit ik op de tocht, het is ijskoud, en ik kan me niet concentreren. Docenten lopen met een boog om me heen en worden op een voetstuk geplaatst, alsof wij allemaal ziek zijn en iedereen met opzet willen besmetten. Ik voel me genegeerd, wij doen er nu eenmaal niet toe en niemand neemt ons serieus omdat wij per ongeluk jong zijn en het virus mogelijk overdragen. Nu je het toch vraagt, ik voel me het grootste deel van de dag rot. Ook ik wil zo zitten met mijn vrienden en niet bang zijn op een feestje voor de politie die voor de deur staat, zodat ik weer naar huis moet.’
Ze wordt stevig tegen zijn torso aangedrukt.
‘Waarom feest je dan niet zoals wij doen, rond het kampvuur?’
‘Ik heb meer dan vijf vrienden pap, dan staat de hele tuin vol, feesten doe je met veel.’
‘Ik wist niet dat je je zo eenzaam voelde.’
Willem staat op. ‘Nee natuurlijk niet Bart, jij ligt in die bubbel van je. Ga lekker in je eentje genieten van die mooie crisis waarin jij blijkbaar in een rubber bootje ligt te drijven. Jouw dochter lijdt zich te pletter, maar jij ziet het niet omdat jij een andere waarheid maakt. Mensen sterven, weet je dat? En ik geloof best in die bubbel van 1969 die hoop gaf, maar deze blubberbubbel van jou geeft een andere hoop. Een hoop shit en ellende. Jij leeft in een bubbel die niet de mijne is.’ Waggelend vindt Willem zijn fiets.

‘Ach, hij heeft wel eens vaker een kwade dronk.’
‘Hij is misschien niet dronken, hij ziet het gewoon anders dan jij pap.’ Elvis staat op en zwaait de rest van de vrienden gedag.
‘Klote voor je Elvis, maar houd vol, voordat je het weet pak je weer een lekker festivalletje.’ Een arm jengelt omhoog.
De vrienden zijn leuk maar ze voelen niet wat zij voelt. Ze weten niet hoe mensen naar haar kijken, oude mensen met een angstige blik en alle andere zien haar gewoon niet. Alsof ze nooit heeft bestaan en altijd in een bubbel boven de aarde heeft gezweefd. Misschien is ze een slap aftreksel uit 1969 en spat ze straks als een lavabelletje uit elkaar en zal haar licht nooit voor iemand aan de horizon schijnen.

Foto door Pixabay op Pexels.com

How dare you

De speech splitst de klas in drieën, een deel haat haar, een derde omarmt de klimaatactiviste en er is altijd een deel dat geen mening heeft. Greta Thunberg maakt de tongen los tijdens de les maatschappijwetenschappen. Stegemans draagt sneakers, hij loopt op springkussentjes. Waarom willen mannen van boven de vijftig toch altijd jong lijken? Haar vader probeert zich ook bij haar leeftijd aan te sluiten, terwijl hij een veertiger is. Als hij vrienden van haar ontmoet, gaat hij spiegelen. Dan staat hij net als Daan met zijn armen over elkaar, en wiebelt hij van de ene op de andere voet. Ook lacht hij om grappen die niet zo bedoeld zijn en gebruikt hij taal die niet bij hem past, ‘cool, cool, cool.’

Vrouwen willen ook jong blijven, alle vriendinnen van haar moeder zijn overharige meisjes van twaalf. Ze gooien hun haren over de schouders en giebelen in hun veel te strakke broeken. Haar moeder is de meest normale van het stel, die kan nog weleens in een jumpsuit en een veel te lange trui op de bank hangen, ‘Ouder worden is niet leuk hoor Elvis.’ Volgens haar moeder is het een etterende puist vol vrouwenellende. Zweetlakens, dito oksels, huilbuien, lachbuien, depressies, rimpels, hangborsten, haaruitval, urineverlies, en grijs haar. Ze weet van Daans moeder dat vaginale droogheid er ook bijhoort. Dat had ze liever niet geweten en al helemaal niet hoe al die vrouwen dat oplossen. Greta Thunberg is een jaar ouder dan Elvis maar ook zij zal al last hebben van vaginale droogheid. Hoe kan ze anders zo ongelukkig kijken terwijl ze ruim elf miljoen fans heeft, die door haar inzet tot inzicht zijn gekomen? Elvis wil niet bij die groep horen. Ze wil best nadenken over het klimaat maar niet omdat die heks dat bij haar zou losmaken.

‘En Elvis, wat vind jij van Greta’s speech?’ Stegemans huppelt op zijn sneakers langs. De schoenen piepen op het marmoleum. ‘Ik vind het een vervelend kind.’ De sneakers huppelen naar haar tafel. ‘Zo, hiermee ga je direct de persoonlijke aanval in.’ ‘Ik kan niet naar haar kijken. Die speech is doorweekt van emotie, ik vind haar manipulatief en eng.’ Stegemans vraagt of meerderen er zo overdenken. Het derde deel zonder mening steekt de hand op. ‘Ze is evil,’ de stille Joachim zegt ook eens iets. Elvis ontdekt voor even het GGT-gevoel, zo moet de Grote Greta Thunberg zich voelen. Mensen durven zich uit te spreken door haar eenmansacties, ze geeft Joachim een blik van waardering.

Stegemans laat nog een stukje zien uit haar befaamde speech. Greta is boos: ‘You have stolen my dreams and my childhood with your empty words, how dare you.’ Wat een agressie heeft dat kind. Stegemans zet het filmpje stil. ‘Ik begrijp wat je bedoelt Elvis, maar ze heeft zichzelf niet gemaakt. Als het nou een knappe jongen was, zou je er dan anders naar kijken?’ ‘Natuurlijk. Haar woede irriteert mij, het werkt averechts. Alleen door haar te dwarsbomen heb ik de behoefte vanavond mijn batterijen door de wc te spoelen.’ Stille Joachim knikt instemmend. ‘Probeer haar expressie te negeren en luister alleen naar de inhoud van haar boodschap. Wat zegt ze precies? En hoe wil jij het tij keren? Dat is jullie huiswerk, maak de opdracht in powerpoint.’ Triomfantelijk chillen de sneakers weg.

Die zaterdag luistert ze met gesloten ogen naar de woorden van Greta, ‘This is all wrong. I shouldn’t be up here. I should be back in school on the other side of the ocean.’ Daar begint het al. Niemand trekt Greta onder dwang haar huis uit om haar klimaatobsessie aan de wereld te verkondigen. Elvis gelooft niet dat Greta liever op school zit, ze zeilt heerlijk de wereld over om haar jankpraatjes te houden. Het ene hotel in, het andere uit, volgestopt met ecologische producten die ze tot de nacht bewaart. Zodra ze in haar hotelkamer is, laat ze zich gaan. Dan vreet ze zich vol, smakt en boert en springt op bed voor de Maandans. Ze gooit haar staart los om wild te twerken op het getik van de regen die tegen de ramen spettert. Naakt gooit ze zich op bed waar een gigolo met baard en geitensokken op haar wacht. Snel doet hij een blinddoek voor, ‘om de spanning te verhogen‘, zo lispelt hij in haar oren. Hij houdt zijn bamboe-onderbroek aan uit angst voor de klauwen van Greta. Bang om te horen ‘How dare you!’, mocht hij te snel zijn orgasme bereiken, doet hij de blinddoek af. Greta schrikt van het licht en verandert in een Gretawolf. Haar tanden zetten zich in zijn nek, ze bijten door als een ware activiste die niet van loslaten weet. Ze huilt en lacht en schreeuwt: ‘This is all wrong. I should not be here.’ De gigolo probeert weg te komen, hij duwt haar van zich af maar Greta houdt vast als ze beet heeft. Ze spuwt vuur en ontdekt zijn onderbroek van bamboe. ‘These shitty underpants are made in China, they came here by plane! Are you kidding me?’ Ze gooit de man in zijn onderbroek de gang op en smijt de deur dicht. Greta beseft dat ze de wereld niet alleen kan redden. En die elf miljoen fans, zullen zij haar blijven volgen? Wat moet ze doen om de woede van de mens vast te houden, hun geestdrift te voeden? De mens is verpest door zijn verwende gedrag, zijn nalatigheid, de laksheid van de leiders heeft zijn weerslag op de wereld.

Greta zit alleen op haar hotelbed, ze verlangt naar rust, ze wil terug naar school, ze mist de geur van het broodje hamburger uit de kantine, de armen van haar moeder. Ze wil weer kind zijn en onbedaarlijk jammeren om een dode vogel in de tuin. Ze wil niet meer haar tranen bedwingen voor al die camera’s die haar boze blik willen vangen. Maar het is geen blik van woede, het is een blik van angst. Angst om groot te worden in een wereld die ten onder gaat. Angst voor vogels die dood uit de lucht vallen, angst voor vissen op het droge, angst voor de dag die niet meer terugkeert. Ze is bang dat het nooit meer licht wordt, bang voor de uitstervende dieren in het oerwoud, bang dat de mensheid de wereld afmaakt, Bang dat er niets meer is. Bang dat mensen haar niet aardig vinden, bang dat ze niet begrepen wordt. Bang dat mensen haar een trut, wijsneuzerig en arrogant vinden. ‘How dare you.’ Ze trekt haar pyjama aan en kruipt onder het smetteloos witte dekbed. Overduidelijk op negentig graden gedraaid, dit is zo schadelijk voor het milieu. ‘This is all wrong.’ Ze huilt zichzelf in slaap, als een bange babywolf. ‘I shouldn’t be up here. I want to go home.’

Foto door Markus Spiske op Pexels.com