Ga je hok uit

Het interesseert Elvis niet wat de rest van haar vindt. De meiden uit haar klas, de bitches, de nerds, de paardenmeisjes, de dellen, ze worden allemaal in een hokje gepropt. Zij wil niet in een hok passen, ze is geen konijn. Een persoon is veel aantrekkelijker als hij nergens bij hoort en zijn intrek op een open veld neemt, de volgepropte hokken achter zich latend. Volgens haar vader ontkomt ze er niet aan, de natuur van de mens dwingt ons er nu eenmaal toe om zo overzicht te houden op de mensenmassa. Heeft zij ook zo’n oordelend oog? Ze probeert het in ieder geval te ontwijken.


De grijze jas van imitatiebont kleurt mooi bij haar ogen. Zij hoopt ook op een plek in het veld maar anderen hebben daar vast een andere mening over. Ze ritst de cognackleurige laarzen dicht. Zo is ze een nerd als ze boven een zeven scoort en een bitch als ze voor haar mening uitkomt. Toch voelt ze zich geliefd. Jongens zien haar graag en slechts een kleine groep meisjes stoort zich eraan. De meesten mogen haar, op ieder feestje is ze welkom. De laatste tijd slaat ze ze over, sinds mensen kotsend om haar nek hangen, vindt ze er weinig meer aan. Watjes zijn het, zij kan echt zoveel beter tegen drank dan al die brallers om haar heen.
De laatste keer kon ze Daan naar huis slepen, ze had om de vijf meter de neiging haar op straat te laten liggen. ‘Nee, je mag ze niet bellen, mijn vader is niet van het lachgas.’ Er viel weinig te lachen, als een jager trok ze aan de poten van het kapotgeschoten wild, de weg naar huis met een manke ree was lang en haar rokje veel te kort. Ze bibberde haar legging uit. Af en toe werden ze giebelend ingehaald door een stel paardenmeisjes of stopte er een auto met een eenzame man. Nooit stoppen voor een auto met een enkele zichtbare hand aan het stuur, je weet maar nooit waar die andere zich ophoudt. Als kind zag ze een piraat met een haak aan de andere arm voor zich, rustend op zijn schoot. Later begreep ze haar vaders woorden beter, viezeriken waren het.
Het gewicht van haar vriendin in benevelde toestand was verre van ideaal maar ze weigerde om in te stappen bij mannen die ze niet kende. Zelfs de Audi van Hugo uit 6 VWO liet ze voorbij gaan, ook hij reed met een hand aan het stuur. Terwijl hij het raampje liet zakken, zat zijn tweede hand aan een blikje bier vast. ‘Stom rijkeluisjoch.’
Slingerend reed hij de straat door en sleurde op de hoek een afvalcontainer mee. Het had nogal wat zwervend afval tot gevolg, een man aan de overkant schoof zijn raam open: ‘Hee, raap die kliko eens van de weg!’ Ze keek nog even om zich heen. ‘Ja, jij, met die dronken temeier naast je.’
Zijn gouden voortand weerkaatste in het schijnsel van de lantaarnpaal. Hij sloot zijn raam en draaide een shaggie, zijn blik volgde haar nauwlettend.
‘Botte bouwvakker.’ Elvis liep door en zette Daan in een portiek even verderop.
‘Laat me niet alleen Elvis.’ Ze kroop tegen een bloempot aan en hapte in de bladeren.
Elvis keek om de hoek van de straat, de kliko lag nog op de weg, de deur van de bouwvakker ging open. Een rolstoel reed naar buiten, de man stuurde richting de afvalcontainer en prikte met een grijper de troep op. Het was een akelig gezicht om de vloekende man te zien worstelen, misschien had hij ooit een bedrijfsongeval gehad en was hij dagen later in een diepe put gevonden. De weerkaatsing van zijn gouden tand in het zonlicht was vast zijn redding geweest. Aarzelend bleef ze staan, ze moest kiezen tussen een man in een rolstoel en een plantetende vriendin.


Daan hing voorovergebogen. ‘Volgens mij is dit een hennepplant, ik voel me opeens nog veel beroerder.
Elvis rook genoeg, dit was geen lavendelplantje. ‘Waarom eet je van een plant? Je bent toch niet het debiele zusje van een cavia?’
Ze hees Daan op die begon te huilen. ‘Ik een debiel, hoe kun je dat nou zeggen?’
Het gehuil echode in de portiek. Een man deed open, een urinelucht gierde het huis uit. ‘Wat is hier aan de hand, mijn portiek uit!’
Dat moest wel een junk zijn. Zijn ene voortand kleurde geel. Daan kroop uit haar foetushouding en leunde tegen haar schouder. Het leek erop dat ze haar eigen gewicht kon dragen.
De terugweg was lang, ze doolden door straten met achter enkele ramen een schijnsel dat de route aangaf. ‘Elvis je mag het niet vertellen hoor, mijn vader heeft een hekel aan drugs.’
‘Wie kauwt er dan ook op een weedplant?’
‘Dat ging per ongeluk.’
‘Waarom kauw je op een plant?’
‘Je zegt het zelf, ik ben vast niet helemaal goed.’
Het zelfmedelijden trok de straat door. Ze sleepte haar vriendin het laatste stuk de stoeptegels over, als een peuter slofte ze naar haar voordeur. ‘Kun je me naar mijn slaapkamer helpen?’
‘Nee, je slaapt maar op de bank, ik ga naar huis.’
Elvis duwde de sleutel in het slot maar de deur ging als vanzelf open. Daar stond Daans vader, zijn navel piepte onder zijn geruite pyjamajasje vandaan. ‘Zo, waar komen wij nou helemaal vandaan?’
Haar vriendin ging rechtop staan, als een soldaat die zijn korporaal groet.
‘Daan heeft een verkeerde kippenpoot gegeten op het feestje van Daniel.’
‘Kip?’ Zijn navel hipte even op. ‘Welk feestje?’
Haar vriendin liep naar binnen en schudde druk met haar hoofd achter de ruitjesrug.
‘Een verjaardag, gewoon met kip en cola.’
‘Aha, zo’n verjaardag. Met slingers en ballonnen en de taart van tante To. Nou vooruit Elvis, ik vind het een mooi verhaal. Hebben jullie nog ergens een zakdoek gelegd en weer gevonden? Nee, hè, dat dacht ik al. Volgens mij hebben jullie er nog nooit een gezien, een echte, die van katoen. Nou, als jullie maar hebben genoten. En gelachen, want dat is belangrijk.’
Ze wilde nog iets zeggen maar de ruitenpyjama sloot de deur.
‘Raar burgerlijk mannetje,’ Elvis keek omhoog na geklop op een ruit. Daar stond haar vriendin. Ze opende het raam en trok haar hoofd naar links en haar mond scheef, de tong gleed langs haar mondhoek. Ze maakte een piepend en knorrend geluid, terwijl haar neus de lucht insnoof. Haar nagels krasten tegen het glas.
Elvis’ lach galmde de straat over. Niets was zaligmakender voor een cavia, dan terug te zijn in zijn eigen hok.

Foto door Oleg Magni op Pexels.com

Alles gaat voorbij

‘Het is een gevaarlijke gek, de politiek is beter af zonder hem.’ De rups steekt zijn kop boven de hoop uit. Haar vader gooit er een schep bovenop. ‘Als er eenmaal gerommel is in een partij is het feestje over. Die man verdient ruim negen duizend euro per maand, weet jij wel hoeveel gasten we daarvoor in ons restaurant moeten bedienen?’
Haar moeder veegt de tegels schoon, de gordijnen achter de ramen van de omgebouwde schuur, verbergen de leegte van het aanlendende restaurant.
De meetlat van haar vader wordt in het zand gelegd. ‘Die charlatan moet eens plaats maken voor het echte nieuws.’
De bezem gromt over de tegels, ‘honderdtachtig Bart.’
Hij krabbelt de afmeting op een servet. ‘Vier meter vijfenzeventig, groter kan ik het terras niet maken.’
Een tegel krijgt een plek in het zand.
‘Honderdtachtig gasten per maand, dat zijn er vijfenveertig per week. Dat aantal hebben we regelmatig over de vloer. Verdienen wij negenduizend euro per maand?’ De bezem wordt in de zandhoop gesmeten. ‘Als ik dat had geweten had ik mijn billen op het zand van de Malediven gedraaid, in plaats van ze hier achter een bezem te laten zweten.’
Met een plof wordt de volgende tegel neergelegd. ‘Ben jij vergeten dat we sinds februari verlies draaien? Weet jij wel hoeveel hypotheek er op dit huis rust, dat we voor die lui koken om uit de verbouwingskosten te komen? Op welke elektriciteitsrekening staan die pannen te dampen? Het meeste geld gaat op aan vaste lasten en de inkoop.’
‘Ik ken ook niemand die zoveel biologisch inkoopt.’
Elvis kent de uitdagende toon van haar moeder en loopt naar haar kamer. Ouders zijn ingewikkelde mensen, ze kibbelen om het salaris van een politicus terwijl ze zelf illegaal geld binnen harken. De feestjes tijdens de lock down, met kreeft achter gesloten gordijnen is hij blijkbaar vergeten.
Volgens haar vriendin Daan is overwaardering van geld de reden van ontevredenheid. Het heeft een kortstondige impact op ons geluk en werkt als een magneet op de geldstroom die stilligt. Dat maakt ons narrig. Als we hiervan worden verlost, weten we weer waar het eigenlijk om draait. De eenvoud, de natuur, de stilte in je kop. Misschien heeft ze gelijk.
Op Instagram staat haar vriendin met wc-papier over haar mond gespannen, ingekapseld als een mummie. ‘Corona is shit’.

Elvis weet dat het een bevlieging is, alles gaat volgens haar vader voorbij. Soms een geruststellende gedachte. Sinds het bedrijf van Daans vader niet meer goed loopt moeten ze het met minder geld doen. De tweede Golf ging de deur uit en de Mexican Cruise maakte plaats voor een vakantie met een grotere impact. Omdat ze te laat waren met boeken, belandden ze op een nudistencamping op Ameland.
Sindsdien heeft het gezin zich ontdaan van overdaad. Haar vader bevrijdde zich van zijn kleding die zijn vet verborg, haar moeder toonde haar strakgetrokken huid, schalks kijkend naar dochter Daan die veel ogen deed knipperen.
‘Het was de beste vakantie ooit.’ Daan plaatste haar mondkapje voorzichtig achter haar oren. ‘Puur natuur is niet duur’, stond er op de bananenschil geschreven. De elastiekjes hingen angstig achter Daans oren. ‘Weet je wel hoe lekker het is om in je nakie een avocado te eten? Gewoon een avocado?’
Elvis kon zich er niets bij voorstellen.

Daan vond het zoveel fijner dan al die vakanties ervoor, waar ze hele dagen op een schip naar de overkant tuurden en verlangden naar een ver gelegen eiland. Dit was tenminste een actieve vakantie, een survival. Overdag ving de familie haar eigen vis of ze knalden met carbid een konijn uit zijn hol.
Na de vakantie werd het naakte leven voortgezet. Daans vader is van mening dat een lichaam een omhulsel is van iets kostbaars, een tempel die aanbeden moet worden, waarom iets moois verbergen wat de aandacht verdient? Elvis had de voorzichtige omvang van zijn borsten bestudeerd. Ze leken te huilen op een verkeerde huid maar zaten nu eenmaal vast aan dat mannenlijf. Het was gênant bij Daan op bezoek te komen en haar ouders naakt op de leren bank te zien.
‘Het doet koud aan de billen, daarom zitten we op een kleedje.’ Alsof het kleedje haar blik deed verrassen.
Haar vriendin droeg sinds die vakantie minder merkkleding, ze hadden weinig om het lijf. Af en toe gaf Elvis haar een afdankertje, een te klein geworden shirt of een broek. Ze begreep pas later dat Daan zich verschool achter haar vakantieverhaal. Het was geen nieuw verworven inzicht, als wel een direct gevolg van de pandemie.

Door Jesses aanhoudende berichtjes verliest ze de race in haar game. ‘Kom je naar de garage van Charlie Post? Iedereen komt, neem bier mee.’ De feesten van het nieuwe normaal zijn best leuk, een beetje bij elkaar hangen op plekken die niet mogen. Ze neemt onder haar jas een truitje mee, stel je voor dat Daan in een halve blote bui is. Ze heeft weinig zin om tegen een naakt lichaam aan te praten.

Haar vader ligt uitgeblust op de bank. ‘Volgende keer schep je mee Elvis.’
Behoedzaam schikt haar moeder een kussen achter zijn rug.
‘Ik ga naar Charlie.’
‘Charlie Post? Ook weer zo’n charlatan, mooie praatjes maar wel fout.’
De rug van haar vader strekt zich. ‘Kijk je uit? Die jongen is in staat om het huis op te blazen. Vorig jaar deed hij hetzelfde met de speakers van zijn vader, een godsvermogen, die jongen zoekt het randje op.’
‘Het is allemaal maar materie pap.’
Ze krijgt tien euro in haar hand gestopt. ‘Ga maar lekker genieten Elvis. Voordat je het weet sta je net als je moeder hopen zand te scheppen in je tuin.’
Op het nieuws huilt de politicus. ‘Waarom heeft ‘ie geen zakdoek? Die man gaat stuk.’
‘Els sommige mensen verdienen geen zakdoek, we gaan allemaal stuk vroeg of laat.’
Elvis pakt een banaan mee.
‘Trouwens Elvis, jij moet heel blijven, dus als die Charlie Post carbid in een opening stopt waar het niet hoort, maak je je onmiddellijk uit de voeten.’
‘We gaan alleen maar een biertje drinken.’
‘Ja, dat ken ik, voordat je het weet staat het huis in de fik, rent iedereen elk een kant op, en valt de party uiteen.’
‘Carbid hoor je in geen een opening te stoppen.’
‘Die Post heeft geen melkbus op zijn oprijlaan staan, Els.’
Elvis stapt op de fiets, als ze door het raam kijkt stapt de politicus in zijn auto. De camera volgt de witte zakdoek die zijn chauffeur hem aanreikt. De Jaguar verdwijnt uit beeld, de witte zakdoek wappert uit het raam.

Puur

‘In de natuur is alles eerlijk, ontdaan van verdorvenheden of andere vermommingen, zoals bomen die zich anders voordoen en opeens weghollen omdat het opgejaagde dieren blijken te zijn die met uitsterven worden bedreigd. De natuur kent geen vermomming, een plant is een plant, een boom is een boom en een vogel vliegt. Die eenvoud, de eerlijkheid hebben wij collectief gewurgd. Mensen zijn bange wezens, we verschuilen ons achter een muur of trekken een façade op.’
Eleonora, de vriendin van haar moeder neemt een slok van haar brandnetelthee. Gewurgd? Wat een rare benadering. Eleonora zet met haar handen extra kracht bij.
Haar moeder kijkt in de spiegel. ‘Nou, wat je zegt Eel, ik weet vaak ook niet meer wie mijn eigen pure ik is.’
‘Dat weet niemand El, we zijn te ver verwijderd van ons eigen ik. De vraag is: ‘Durven we onszelf ooit te aanvaarden om wie we echt zijn?’
Elvis pakt een roze koek van de schaal. ‘Er zijn dieren die zich goed kunnen vermommen in de natuur hoor, bladeren hebben trouwens ook schutkleuren.’
‘He gets, dat is ook zo, de natuur is dus ook al een grote schertsvertoning.’
Eleonora plaatst haar designerbril iets rechter op haar neus. ‘Ik wil mezelf wel recht in de ogen kijken Elvis, ergens diep van binnen zie ik mezelf.’
Haar moeder schilt een avocado. ‘Jij bent nog zo puur Elvis, zo ontluikend als een Keizerskroon met zijn prachtige glanzende bladeren.’ Haar vette handen graaien door Elvis’ haar.
Zo puur vindt ze zichzelf niet meer. Seks, drugs & rock ‘roll, de vaste waardes die volgens haar vader haar naam bezegelen, heeft ze allang nageleefd. Al haar vrienden doen het, ze kan moeilijk achterblijven.


Ze was niet eens echt benieuwd naar een biertje. Haar vader deed er nooit moeilijk over. Alles wat hij verbood zou als een boemerang bij haar terugkeren. Dus mocht ze dat biertje, ze vond er niet veel aan, de spanning van een te veroveren schat ontbrak. Waar anderen zich stortten op een kratje, vond zij het na een paar bier wel weer genoeg.
Het eerste blowtje nam ze in het gras samen met haar vriend Travis, een tweede volgde, en een derde. Dat was niet volgens afspraak met haar vader, hij stond er namelijk op het samen met hem te doen. Ze wist niet zo goed of ze het hem zou vertellen, de hele middag spookte het door haar hoofd, totdat ze hem ’s avonds moest bellen. Haar benen wogen vijfhonderd kilo, hij moest haar optillen en in de auto schuiven. Ze dacht dat ze een saucijzenbroodje was en gilde voor de oven waar haar vader haar in schoof. Hij gaf haar een tik op de wang wat haar nog meer van streek maakte. De dag erna was ze nog steeds stoned, ze verknalde haar wiskundetoets door bij alle vijf vragen in te vullen: ‘Ik heb nooit wiskunde gehad op de saucijzenbroodjesschool.’ Haar gemiddelde cijfer daalde naar een vier.
Omdat haar vader niet gelooft in straffen, volgde er geen huisarrest of gameverbod. Wel negeerde hij haar een week lang. Het maakte haar ziek. Ze miste zijn stomme grapjes, hun eenstemmigheid. Ze was te ver gegaan, het voelde als verraad. Misschien had hij jarenlang uitgekeken naar dat moment van samen een haaltje van een jointje nemen, om haar te beschermen voor inhalig gedrag. Was hij er maar bij geweest, dan was het anders verlopen. Dan had ze niet zo hard aan die lange sigaret gezogen, zaten haar longen nog op z’n plek en was ze nog in staat geweest om te fietsen. In plaats daarvan voer ze gesprekken met bomen, namen de wolken haar op en zweefde ze met gesloten ogen boven het gras, zomaar op een woensdagmiddag.
Samen met Travis maakte ze haar entree in een gekmakende fantasiewereld. Toen ze door kabouters in smoking met bolhoeden op achterna werd gezeten, wilde ze eruit stappen. De trein gierde door, het maakte haar kwetsbaar en slap. Travis kon haar kneden naar elke vorm, wat hij ook deed. Hij begon zacht, als een trage zoen trokken de uren voorbij daar in zijn armen in het gras, de knappe Travis uit het examenjaar was haar kussen. Ze werden van de aarde los gezogen en zagen hun docenten schuilen in de wolken. Travis was ruw geweest, te sterk voor haar slappe lijf. Ze liet het gebeuren en was in staat geweest de schaamte weg te stoppen en het niet meer terug te laten keren in haar lijf, op haar netvlies.
In de week van zijn stille oorlog zag haar vader dat ze leed, haar moeder kwam met kopjes thee aan maar jammerde een week lang over haar een voor wiskunde. Ze was niet te spreken over haar beschamende gedrag en dreigde met het inperken van haar vrijheid. Toch volgde ze de blik van haar vader op en liet het bij dat ene dreigement. Haar moeder was ‘the good cop’, haar vader was the bad one. Hij gijzelde haar in zijn zwijgzaamheid. Een week later riep hij haar naam op vlakke toon. Ze had moeten vechten om hem weer terug te winnen.

Zo snel is puurheid verloren, in vergankelijkheid is het zijn diepte kwijtgeraakt. ‘Mam, je weet dat ik niet meer puur ben.’
‘Wat bedoel je nou? Je bent tot in de essentie van goud.’ Het diamantje duwt ze voorzichtig in haar oorlel. ‘Ach, joh, doel jij nou op dat ene keertje, dat blowtje?’
‘Ach, wat zoet.’ Ellendige Eleonare glimlacht haar wit gebleekte tanden bloot. ‘Elvis, wij zijn verpest door afgebrokkelde stenen, aangetast cement. Door de jaren heen hebben wij muren opgetrokken en andere weer afgebroken.’
‘Zoiets als de naoorlogse wederopbouw waar we nooit aan zijn toegekomen.’ Haar moeder lacht, Eleonore schaterlacht mee.
‘Met wie waren jullie dan in oorlog?’
‘Met onszelf natuurlijk, altijd met onszelf.’
‘Wat een eenzame strijd moet dat zijn.’
‘Een gevecht in solitude Elvis, laat jou dat niet gebeuren.’ Eleonore schenkt een beetje rum in haar thee.
‘Precies, als je dan toch per se strijd wil, dan altijd in gevecht met een ander gaan.’ Ook in de thee van haar moeder verspreidt de rum zich. ‘Jij mag ook wel een beetje hoor Elvis, tenminste als je moeder het goed vindt.’
‘Ik drink hem het liefst in pure vorm.’
Haar moeder gooit haar theekop leeg in de gootsteen. ‘Ik ook eigenlijk, dat is toch de allerfijnste smaak, het houdt ons ook nog eens in balans. Let maar op Eel, moeten we je straks weer naar huis rijden.’
‘Welnee, ik blijf lekker op de bank slapen, wat kan mij het allemaal schelen, ik heb al genoeg geleden en gestreden in eenzaamheid. Ik heb recht op gezelschap. Toch, El?’

Donald en Joe

‘Donald en Joe zaten op de wip, Joe was blij, Donald keek wat sip.’
Hoe vaak moet ze nog naar die stomme grappen van haar vader luisteren?
‘Elvis, dit moment zul je je altijd herinneren. De dag dat Trump plaats moet maken voor een nieuwe, betere president.’
‘Wie zegt nou dat Biden beter is? Het zijn twee oude mannen waar alle fut uit is.’
Hij stopt met het veteren van zijn sneakers. ‘Die Biden heeft toch een jonge uitstraling? Moet je kijken hoe stevig hij in zijn schoenen staat.’
‘Hij loopt tegen de tachtig, over twee jaar schiet hij in zijn scootmobiel door het Witte Huis. Waarom schuiven ze geen jonge kandidaat naar voren, een Kodi Smit bijvoorbeeld.’
‘Wie?’
‘Die acteur van X-men.’
‘Ja zeg Elvis, ik kijk ook liever naar een Scarlett Johansson of een Angelina Jolie maar niet alle acteurs kunnen zomaar president worden.’
‘Wel hoor, kijk maar naar Reagan en Trump.’
‘Trump is toch geen acteur?’
‘Wel hoor, hij heeft zelfs in ‘Home alone’ gespeeld en in andere films maar altijd als zichzelf.’
‘Dan telt het niet.’
Dit is nou weer zo’n opmerking die ze niet begrijpt maar beter kan negeren, voordat ze in een discussie belandt die nergens toe leidt.
Haar vader gaat er eens goed voor zitten. Hij gooit zijn benen languit, het flesje bier zet hij stevig aan zijn lippen. ‘Trouwens, wij hebben Kamala Harris.’
Hij slaat zich op de borst alsof hij haar zelf heeft gecreëerd.
‘Wie is wij?’
‘Wij, het mannelijke deel van de wereldbevolking. Die vrouw is toch een geweldige verschijning. Over een paar jaar neemt zij in een prachtig jurkje het stokje over, daar kan ik nu al naar uitkijken.’

Haar moeder komt met tassen boodschappen binnen, de broccoli bovenop luidt weer een soepdag in. Elvis haat soepdagen, prei, broccoli, pompoen, zelfs van sperziebonen of bieten pureert haar moeder soep, maar altijd zonder ballen. ‘Ballen zijn voor bakkers, boswachters, boeren en brandweermannen, die hebben ze nodig voor het harde werken. Wij werken niet hard, wij ademen slechts.’ Haar ouders zijn eigenaardige wezens die ze soms niet kan volgen. Vroeger ging ze er tegenin maar ze weet inmiddels dat dingen voorbij gaan, ook deze opmerking is het niet waard om de diepte in te gaan.
De tas wordt zorgvuldig uitgepakt, ‘Over wie hadden jullie het?’
Haar vader neemt een flinke slok van zijn bier en kijkt Elvis aan. Als hij denkt zich achter haar te verschuilen, heeft hij het mis. Ze bladert door haar telefoon en negeert zijn vragende blik.
‘Over wie hadden jullie het nou?’
‘Over Trump,’ schielijk kijkt hij haar aan.
De wenkbrauwen van haar moeder maken een rare beweging. ‘Maar ik hoor je net zeggen: “Daar kan ik nu al naar uitkijken.”‘
‘Ja, ik kan uitkijken naar het moment dat die man eindelijk iets anders gaat doen in plaats van zijn land naar de afgrond te helpen en de wereld mee te nemen in zijn geestelijke wanordelijke staat van zijn.’ Haar vader geeft Elvis een knipoog.
Zo eenvoudig komt hij er niet vanaf, dat zou wat moois zijn. ‘Wat vind jij eigenlijk van die vice-president?’
Hij gaat rechtop zitten en slaat zijn benen over elkaar, ‘Wie, ik?’
Elvis kijkt hem uitdagend aan.
‘Mwah, niks bijzonders, ze doet mooie beloftes maar ik weet niet of ze het echt meent.’
Bruusk gooit haar moeder een zak wortelen op grond. ‘Wat bedoel jij nou, Bart Hammers? Niks bijzonders? Die vrouw is de allereerste vrouwelijke vicepresident in de Amerikaanse geschiedenis, bovendien is ze zwart, met ook nog eens een behoorlijke staat van dienst.’
‘Mag je dat wel zo zeggen, zwart?’
Haar moeder kleurt rood. ‘Dat moet je zeggen Elvis, tegenwoordig is het zwart en wit. Blank mag niet meer, ons koloniale verleden doet ons de das om wat dat betreft. Maar ik ben nu even met je vader bezig.’
Haar vader richt zich weer op zijn veters. Een pak koffie uit de tas wordt op het aanrecht gegooid. ‘Hoe kun jij nou aan haar twijfelen? Jij hebt soms zo’n ouderwets gedachtegoed. Jullie mannen willen de wereld beheersen en het eigenlijk bij het oude laten. Stiekem verlangen jullie allemaal naar de tijd van voor Aletta Jacobs. Wij vrouwen moeten ons altijd onderdrukt voelen. Weet jij wel hoeveel strijd wij moeten leveren, elke dag weer om gezien en gehoord te worden, hoe vaak horen wij gefluit alsof we een circushondje zijn, hoe vaak worden we uitgekleed door gretige ogen? Viezeriken zijn jullie, allemaal. Jullie jagen erop los met dat seksuele dier tussen de benen maar wij laten ons niet koeioneren, hoor je me? Ik heb diep, diep respect voor die vrouw. Diep, diep respect. Want die krijgt het niet gemakkelijk hoor, ze gaan haar natuurlijk dwarsbomen, haar hele doopceel lichten.’
De wortelen worden kreunend van de grond geraapt. ‘En ze is ook nog eens een plaatje om te zien, of zie jij dat ook anders?’
Haar vader tikt op zijn flesje. ‘Nee, natuurlijk vind ik dat ook.’
‘Als ik het niet dacht, stelletje seksistische dieren zijn jullie. Mannen reageren altijd zo instinctief, jullie zijn gewoon niet verder gekomen dan de oertijd. Wat zeg ik je, we moeten nog verder terug lang voordat de aarde zijn vorm vond. Jullie komen rechtstreeks uit een zwart gat.’
Ze loopt met de wortelen op Elvis af. ‘Ik vertel het je nog wel een keer Elvis, over Aletta Jacobs, jij moet ook weten hoe de vork in de steel zit. Wij vrouwen komen van ver, we hebben moeten strijden voor jouw en mijn onafhankelijke status in de samenleving.’

Ze slaat zusterlijk een arm om haar heen en houdt haar stevig vast. ‘Wees een Kamala, nooit een Joe. Zij mag natuurlijk al het werk doen, terwijl hij met de eer strijkt. Maar ze is natuurlijk niet gek, ze kan lekker oefenen voordat zij zich kandidaat stelt.’
Ze bijt hard in een bospeen. ‘Stel je voor, de eerste vrouwelijke en zwarte president van Amerika. Dat wordt wat. Wat een mijlpaal. Wat een grensoverschrijdende doorbraak zal dat zijn, de wereld die op z’n kop wordt gezet door twee vrouwenhanden. Daar kan ik nu al naar uitkijken.’

Foto door Andrew Neel op Pexels.com

How dare you

De speech splitst de klas in drieën, een deel haat haar, een derde omarmt de klimaatactiviste en er is altijd een deel dat geen mening heeft. Greta Thunberg maakt de tongen los tijdens de les maatschappijwetenschappen. Stegemans draagt sneakers, hij loopt op springkussentjes. Waarom willen mannen van boven de vijftig toch altijd jong lijken? Haar vader probeert zich ook bij haar leeftijd aan te sluiten, terwijl hij een veertiger is. Als hij vrienden van haar ontmoet, gaat hij spiegelen. Dan staat hij net als Daan met zijn armen over elkaar, en wiebelt hij van de ene op de andere voet. Ook lacht hij om grappen die niet zo bedoeld zijn en gebruikt hij taal die niet bij hem past, ‘cool, cool, cool.’

Vrouwen willen ook jong blijven, alle vriendinnen van haar moeder zijn overharige meisjes van twaalf. Ze gooien hun haren over de schouders en giebelen in hun veel te strakke broeken. Haar moeder is de meest normale van het stel, die kan nog weleens in een jumpsuit en een veel te lange trui op de bank hangen, ‘Ouder worden is niet leuk hoor Elvis.’ Volgens haar moeder is het een etterende puist vol vrouwenellende. Zweetlakens, dito oksels, huilbuien, lachbuien, depressies, rimpels, hangborsten, haaruitval, urineverlies, en grijs haar. Ze weet van Daans moeder dat vaginale droogheid er ook bijhoort. Dat had ze liever niet geweten en al helemaal niet hoe al die vrouwen dat oplossen. Greta Thunberg is een jaar ouder dan Elvis maar ook zij zal al last hebben van vaginale droogheid. Hoe kan ze anders zo ongelukkig kijken terwijl ze ruim elf miljoen fans heeft, die door haar inzet tot inzicht zijn gekomen? Elvis wil niet bij die groep horen. Ze wil best nadenken over het klimaat maar niet omdat die heks dat bij haar zou losmaken.

‘En Elvis, wat vind jij van Greta’s speech?’ Stegemans huppelt op zijn sneakers langs. De schoenen piepen op het marmoleum. ‘Ik vind het een vervelend kind.’ De sneakers huppelen naar haar tafel. ‘Zo, hiermee ga je direct de persoonlijke aanval in.’ ‘Ik kan niet naar haar kijken. Die speech is doorweekt van emotie, ik vind haar manipulatief en eng.’ Stegemans vraagt of meerderen er zo overdenken. Het derde deel zonder mening steekt de hand op. ‘Ze is evil,’ de stille Joachim zegt ook eens iets. Elvis ontdekt voor even het GGT-gevoel, zo moet de Grote Greta Thunberg zich voelen. Mensen durven zich uit te spreken door haar eenmansacties, ze geeft Joachim een blik van waardering.

Stegemans laat nog een stukje zien uit haar befaamde speech. Greta is boos: ‘You have stolen my dreams and my childhood with your empty words, how dare you.’ Wat een agressie heeft dat kind. Stegemans zet het filmpje stil. ‘Ik begrijp wat je bedoelt Elvis, maar ze heeft zichzelf niet gemaakt. Als het nou een knappe jongen was, zou je er dan anders naar kijken?’ ‘Natuurlijk. Haar woede irriteert mij, het werkt averechts. Alleen door haar te dwarsbomen heb ik de behoefte vanavond mijn batterijen door de wc te spoelen.’ Stille Joachim knikt instemmend. ‘Probeer haar expressie te negeren en luister alleen naar de inhoud van haar boodschap. Wat zegt ze precies? En hoe wil jij het tij keren? Dat is jullie huiswerk, maak de opdracht in powerpoint.’ Triomfantelijk chillen de sneakers weg.

Die zaterdag luistert ze met gesloten ogen naar de woorden van Greta, ‘This is all wrong. I shouldn’t be up here. I should be back in school on the other side of the ocean.’ Daar begint het al. Niemand trekt Greta onder dwang haar huis uit om haar klimaatobsessie aan de wereld te verkondigen. Elvis gelooft niet dat Greta liever op school zit, ze zeilt heerlijk de wereld over om haar jankpraatjes te houden. Het ene hotel in, het andere uit, volgestopt met ecologische producten die ze tot de nacht bewaart. Zodra ze in haar hotelkamer is, laat ze zich gaan. Dan vreet ze zich vol, smakt en boert en springt op bed voor de Maandans. Ze gooit haar staart los om wild te twerken op het getik van de regen die tegen de ramen spettert. Naakt gooit ze zich op bed waar een gigolo met baard en geitensokken op haar wacht. Snel doet hij een blinddoek voor, ‘om de spanning te verhogen‘, zo lispelt hij in haar oren. Hij houdt zijn bamboe-onderbroek aan uit angst voor de klauwen van Greta. Bang om te horen ‘How dare you!’, mocht hij te snel zijn orgasme bereiken, doet hij de blinddoek af. Greta schrikt van het licht en verandert in een Gretawolf. Haar tanden zetten zich in zijn nek, ze bijten door als een ware activiste die niet van loslaten weet. Ze huilt en lacht en schreeuwt: ‘This is all wrong. I should not be here.’ De gigolo probeert weg te komen, hij duwt haar van zich af maar Greta houdt vast als ze beet heeft. Ze spuwt vuur en ontdekt zijn onderbroek van bamboe. ‘These shitty underpants are made in China, they came here by plane! Are you kidding me?’ Ze gooit de man in zijn onderbroek de gang op en smijt de deur dicht. Greta beseft dat ze de wereld niet alleen kan redden. En die elf miljoen fans, zullen zij haar blijven volgen? Wat moet ze doen om de woede van de mens vast te houden, hun geestdrift te voeden? De mens is verpest door zijn verwende gedrag, zijn nalatigheid, de laksheid van de leiders heeft zijn weerslag op de wereld.

Greta zit alleen op haar hotelbed, ze verlangt naar rust, ze wil terug naar school, ze mist de geur van het broodje hamburger uit de kantine, de armen van haar moeder. Ze wil weer kind zijn en onbedaarlijk jammeren om een dode vogel in de tuin. Ze wil niet meer haar tranen bedwingen voor al die camera’s die haar boze blik willen vangen. Maar het is geen blik van woede, het is een blik van angst. Angst om groot te worden in een wereld die ten onder gaat. Angst voor vogels die dood uit de lucht vallen, angst voor vissen op het droge, angst voor de dag die niet meer terugkeert. Ze is bang dat het nooit meer licht wordt, bang voor de uitstervende dieren in het oerwoud, bang dat de mensheid de wereld afmaakt, Bang dat er niets meer is. Bang dat mensen haar niet aardig vinden, bang dat ze niet begrepen wordt. Bang dat mensen haar een trut, wijsneuzerig en arrogant vinden. ‘How dare you.’ Ze trekt haar pyjama aan en kruipt onder het smetteloos witte dekbed. Overduidelijk op negentig graden gedraaid, dit is zo schadelijk voor het milieu. ‘This is all wrong.’ Ze huilt zichzelf in slaap, als een bange babywolf. ‘I shouldn’t be up here. I want to go home.’

Foto door Markus Spiske op Pexels.com

De intimiteit van het geluid

Zonder regen zou het een saaie boel zijn. Elvis trapt door het diepste punt van een plas. Een vrouw met een natte hond heft met open mond haar wandelstok omhoog. Elvis hoort het niet. De regendruppels kletteren op haar capuchon, ze is samen met de regen. Niemand kan dit verbond verbreken, de intimiteit van het geluid geeft een direct verwantschap weer.
Haar wiel scherend door de plassen klinkt bevrijdend en open, alsof het na lang weerzien feestelijk wordt onthaald. Niet zoals de druppels op haar capuchon, die klinken dof, ze sluiten haar af van de rest van de wereld. Met niemand deelt ze haar geluidservaring. Als zij aan haar moeder vertelt een lijntje te hebben met regendruppels, ligt ze een dag later op de bank bij een psychiater. Daarom zwijgt ze over dingen die er echt toe doen.
Bij de Taartkamer staat ze stil terwijl ze voor het stoplicht wacht. De beslagen ruit verbergt de baksels, ze vangt nog net een glimp op van de eigenaar. Hij likt zijn vingers af en stopt ze in zijn oren. Een kind rent gillend naar buiten, de krentenbol in haar hand regent nat.
‘Rijd door trut!’ Een jongen steekt zijn middelvinger op, Elvis zwaait terug en fietst verder. Zolang ze opgeborgen zit in haar eigen wereld kan het haar niets schelen. Ze wordt overladen door regendruppels, een leger terroriseert haar, het marcheert haar capuchon over.


Ze ontdekte de geluidswereld op haar tiende. Het verbrak de eenzame uren als haar ouders aan het werk waren in hun keuken, in de aangrenzende omgebouwde restaurantschuur naast het huis. Tijdens het tekenen viel het geluid van de potloodpunt samen met het papier dat ze inkleurde. Als een symfonie gaf het de tonen weer, de tekening kreeg vorm. Daar zat ze, samen met het geluid aan tafel. Ze voelde zich niet langer alleen, het hielp haar om zich te concentreren op dat wat van belang was. Het creëren van iets nieuws bleek zoveel meer waardevol dan de leegte van het huis. Pas toen ze durfde te luisteren naar de stilte bleek hoe gevuld die was. De verwarming sloeg aan, de waterkoker bubbelde en het gezoem van de ijskast was troostend, het ging nooit weg. Sindsdien gaf ze alles een eigen leven. Het druppelen van de kraan, de aanraking van haar toetsenbord waren een met haar. Ze omsloten haar in hun vertrouwelijkheid. Op die middag leerde ze alleen te zijn.

Ze wist dat het geen zin had haar ontdekking met haar ouders te delen, ze zouden het niet begrijpen. Ze had willen vragen of zij die ervaring ook hadden maar haar ouders stelden meestal een loze vraag terug. ‘Elvis, kun je ook een keer iets aannemen zonder een vraag erover te stellen?’ Ze vermoedde dat ze vaak het antwoord niet wisten. Liever zocht ze het op dan in twee paniekerige ogen te kijken. Ze wist nu dat Neanderthalers nette gasten waren. Met grote regelmaat verschoonden ze hun bed en vervingen het met vers gras. Het oude grasbed werd in de kachel gestookt. Dat vond ze briljant, ze waren er snel bij met recyclen. Elvis vroeg waarom ze niet op dierenhuiden hadden gelegen, dat was toch veel warmer dan gras. ‘Kind’, kom nou eens met een normale vraag!’

‘Dit is toch een normale vraag?’ Haar moeders wangen gloeiden, haar ogen draaiden naar het plafond. ‘Nee, Elvis, dit is een rare vraag, hoor je me? Een hele absurde en ongewone vraag. Wat interesseert het een kind van jouw leeftijd nou hoe die primitievelingen zich voortplantten?’ Dat was een raar bruggetje. Elvis had het woord voortplanten niet in haar mond gehad. Ze had het wél meteen opgezocht. Neanderthalers deden het ruw en vooral met elkaar binnen de eigen familie. Ze waren dierlijk, ze gromden en beten zich vast in de huid van hun familielid.

Na de uitbarsting stelde ze alleen vragen die binnen haar moeders voorstellingsvermogen lagen. ‘Hoelaat eten we?’, of ‘is mijn fiets al gemaakt?’ Haar moeders afkeer vertelde iets over haar tekortkoming. De wereld hield ze klein, ondergedompeld in het geluid van onwetendheid. Gehaast gooit ze haar fiets tegen de muur. ‘Elvis, kom snel binnen, die rotregen ook.’

‘Ik vind het niet erg hoor, ik groei door de regen.’ Haar moeder legt haar jas te drogen over een stoel. ‘Ben jij nou ineens een plant geworden?’ Wat doet ze op haar yogamat als ze zo kortzichtig in het leven staat? ‘Ik weet wat je bedoelt hoor Elvis, toch houd ik meer van de zon. Je groeit mij al hard genoeg. Van mij hoeven jouw lokken niet tot de hemel te reiken. Je gaat zo hard de laatste tijd, ik zou je willen afremmen maar daar wordt helemaal niemand blij van.’ Gehaast loopt haar moeder weg, naar buiten, naar de keuken, naar de wc. Eigenlijk is ze altijd onderweg. Zat ze maar eens rustig in een stoel, ouders lijken altijd haast te hebben. Misschien komt het met de jaren, het besef van verloren tijd. Dat gaat haar niet gebeuren, zij investeert in nuttige dingen. Niemand weet hoeveel tijd er over is.

Ze opent haar computer. Als ze over de wegen in Los Angeles scheurt, slipt ze de bocht door. Dat gaat maar net goed, voordat ze het weet verongelukt ze op de digitale snelweg. Zo snel kan het gaan. De banden schuren vonken over de wegen. Ze draait aan de volumeknop van de autoradio, niets is mooier dan opgetild te worden door een geluidsopname. Hard trapt ze het gaspedaal in, gooit haar stuur naar rechts en rijdt zich te pletter tegen een boom. Sommige geluiden kun je niet in het echte leven ervaren. Dit is er een van. Pats boem. Wat een geweldig geluid was dat. Hard en definitief. ‘Elvis! Zet die herrie zachter, het lijkt verdikkeme wel een kermis hier.’ De lippen van haar moeder bewegen maar Elvis is onbereikbaar. Ze heeft alweer een nieuw leven bemachtigd, de digitale wereld is onsterfelijk. Haar banden vreten de wegen op, de motor neemt haar mee in zijn geronk, ze zweeft en lijkt zelfs voor even los van de aarde te raken. De energie van het geluid tilt haar op, zelfs met twee levens is er geen tijd te verliezen. Ze scheurt de Nevadawoestijn in, haar moeder loopt de kamer uit, haar handen tegen de oren gedrukt.

Foto door Sourav Mishra op Pexels.com

Kleine Karen in de krater

Fragment uit de roman ‘Elvis’


Met opgetrokken knieën plaatst ze haar zolen tegen de wand, ze bewegen dan weer links richting Mars, dan weer rechts naar Jupiter. De kamer met foto’s van sterren en planeten neemt haar mee een donkere wereld in.
Het patroon van haar zolen tekent kraters op de wand, hoe stevig ze ook haar schoenen afzet, ze geven niet terug, geen deining, geen geluid.
Hoe diep zakten de moonboots van Armstrong weg in het maanstof?
Ze heeft een groot ontzag voor ruimtevaarders, de drang om te pionieren op een onbekend hemellichaam vereist moed. Ze begrijpt de keuze om hem als eerste mens de maan te laten bewandelen. Zijn bescheidenheid bracht hem ver. In die tijd ging het om gedrevenheid, een vuur dat van binnen gloeide. Niemand gebruikte een zelftimer om zijn ego te vergroten, mensen zouden je verwaand vinden, een egocentrisch zelfingenomen mens.
Armstrong was een baanbreker, een maanverkenner die zijn leven gaf voor alle generaties na hem. Na zijn terugkeer werd hij als held ontvangen, scholen kregen zijn naam, hij dronk thee met de president, mensen dachten dat de roem hem gelukkig maakte. Iedereen wilde de hand voelen van de man met zijn buitenaardse aura. Zijn vingers hadden de maan aangeraakt maar niemand wist dat zijn reis een veel kleiner doel had. Armstrong wilde geen geschiedenis maken met zijn eerste stap op de maan. Gedurende de tocht in de Apollo 11 had hij nauw contact met zijn overleden dochtertje, haar armbandje droeg hij mee in zijn sok. De talisman kriebelde onder zijn linker voetzool. De vetkussens hadden door de jaren heen al heel wat doorstaan maar moesten nu het zilveren bandje verdragen dat als een slang onder zijn zenuwen kronkelde. Het maakte zijn missie nog dwingender, hij moest zo snel mogelijk van het armbandje af zodra hij op de maan was geland.
Hij verdiende door zijn heimelijke missie een sokkel, naast de Amerikaanse vlag. Na zijn eerste stappen voelde hij ondanks de gewichtloosheid, een aardse zwaarte. Tijdens de negenvijftig meter die hij aflegde, het planten van de Amerikaanse vlag, wat onderzoekjes, enkele geschoten foto’s, en wat maansouvenirs die hij in zijn tas stopte, zocht hij naar een geschikte krater. Hij had zijn kind dan wel op aarde begraven maar wilde haar laten voortleven op het meest bezongen hemellichaam.


Elvis kan haar gedachtes niet stoppen, wat moet die man wel niet hebben gedacht? Hij was net geland, op de voet gevolgd door zo’n zeshonderd miljoen kijkers, met het besef dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Elke stap die hij zette werd ademloos meegeteld in al die huiskamers, als hij zou struikelen werd zijn naam niet aan de maandlanding gelinkt maar aan zijn valpartij. Behoedzaam liep hij over het maanlandschap. Na de plaatsing van de vlag had hij zijn vrouw beloofd te zwaaien maar dat deel sloeg hij over. Hij zou nooit serieus worden genomen na zo’n circusact, dus begon hij aan zijn tweede opdracht en zocht naar een krater met de juiste opening.
Hoe waren zijn stappen voor hij stilhield? Het was uiteindelijk toch een tweede afscheid. Hij liet iets dierbaars van zijn dochter Karen achter in een eenzame wereld. Twijfelde hij toen het ding uit zijn handschoen de krater ingleed? Had hij het terug willen pakken maar beletten zijn dikke handschoenvingers het? Of was zijn missie eindelijk volbracht en was het een opluchting, een verlossing om definitief los te laten?
Karen leeft door op de plek die haar vader onsterfelijk maakt, de maan als bekroning van zijn liefde. Zijn daad is heroïsch, in zijn verlies overwon hij de maan. Zo’n vader zou zij zich wensen, een man die grote stappen zet.


‘Elvis, kom van dat bed af, je moet naar school.’ Haar vader staat met zijn tandenborstel in de deuropening.
Zou hij ook voor haar zo’n daad stellen? Hij zou haar dood niet aankunnen. Misschien probeert hij te overleven door drank en weemoedige liedjes op zijn gitaar, maar de leegte zou hem opvreten. Hij reed zich vast te pletter of nam een overdosis slaappillen.
Ze komt het nooit te weten. De dochter van Armstrong wel, die zag alles vanuit haar eigen universum, in de dood was zij springlevend.
Ze loopt de trap af en grist een appel mee. Haar vader geeft haar jas aan.
‘Wat droom je toch Elvis?’
‘Hoe zou het zijn om in het niets te verdwijnen, opgenomen te worden in oneindigheid of een andere wereld die wij niet kennen?’
‘Waarom wil je dat weten, ik schrik ervan.’
‘Jij vraagt je toch ook weleens dingen af, hoop ik?’
‘Het lijkt me zo definitief om in een oneindigheid te worden opgeslokt.’
Opgenomen, niet opgeslokt, jij maakt een horrorversie van iets fascinerends. Astronauten hebben geen tijdsbesef meer, de tijd is oneindig, ze handelen veel doelgerichter, maken keuzes die doordacht zijn, er zijn nu eenmaal beperkingen op de maan.’
‘Ik kan me wel iets leukers voorstellen dan dat oneindige niets van jou. Trouwens, die maan is een erg overtrokken ding, hele generaties houden zich bezig met haar stand, en dan dat poëtische gehijg van mensen die de maan bezingen. Vanaf de aarde is het niets meer dan een lichtbol.’
Elvis pakt haar sleutels. ‘Kijk naar Armstrong, die was verlicht na zijn overwinning op jouw lichtbol. Je beredeneert het bestaan tot een grijs kwartet muizen.’
‘Armstrong zat onder de dope, die was zo verlicht als een veertje.’

Ze stapt op de fiets en kijkt naar boven. Kleine Karen in de krater opgenomen in de wereld van tijdloosheid. Het lijkt haar wel wat. Al die restricties, verwachtingen, alles is gerelateerd aan tijd. Haar vaders woorden van onbegrip zijn alweer verpulverd tot leegte. Wat zo betekenisvol lijkt, vervliegt mettertijd.
Kleine Karen zit daar goed in de krater op de lichtbol. Vanaf de maan gezien zijn wij niets meer dan een zwart puntje, voorbijgangers in de tijd. (……)

Foto door Pixabay op Pexels.com

De sigaar van Don Corleone

De rode brommer van de buurjongen knalt de dag in, ‘Kreidler’ staat er op de zijkant. De letters dagen haar vader uit.
‘Die jongen moet een oude ziel hebben.’ Haar vader bewondert de brommer en zou er graag een ritje op maken.
‘Moet je zien, die uitlaat heeft de vorm van een sigaar, dat is het geluid dat de Kreidler zo typeert.’ Zijn stem slaat nog net niet over.
Diezelfde middag doet hij teveel gel in zijn haar en kamt het glad tot achter zijn oren. Ze begrijpt zijn adoratie wel, het is weer zo’n jeugdsentiment. Zal zij later ook zo gevoelig worden tijdens de ontdekking van haar Iphone 8 van zolder?
De buurjongen poetst met zijn brommer, ook zijn ego op. Elvis kijkt graag naar hem. Hij kijkt dan terug, telkens als hij zijn doek in een potje doopt om het ding te laten blinken.
‘Mijn God, je lijkt wel een patjepeeër. Als je de verkeerde mensen tegenkomt slaan ze je tot moes.’ Het is logischer dat de verkeerde mensen, wie haar moeder dan ook voor ogen heeft, haar vader in elkaar slaan in zijn originele staat. Dit strakke kapsel dwingt nog enigszins respect af.
‘I’ll make him an offer he can’t refuse.’ Haar vader loopt in zijn eigen filmscène.
‘Ga jij zo naar die buurjongen?’
‘Nee, ik ga nu.’
‘Dat bedoel ik niet Bart Hammers. Ga jij op deze manier, met dat rare haar van je naar de buurjongen?’
Hij klikt twee keer zijn tong en doet zijn zonnebril op, ‘Don vito Corleone.’
Het is een uiterst vermakelijk proces om te zien hoe haar ouders elkaar ontglippen. Volgens Steven is dat normaal, ouders doen namelijk ook maar wat. Ze overschreeuwen elkaar om de bange baby in zichzelf te overstemmen. Vaders hunkeren hun leven lang naar de geborgenheid van een borst, moeders jengelen naar aandacht van een vaderfiguur. In hun jankend samenzijn wordt de groei naar symbiose geremd door een ding: seks. Ze trekken elkaar het bed in en experimenteren erop los. Haar moeder liep eens midden op de dag in een tijgerkostuum, op hakken, de trap af. ‘We zijn op weg naar carnaval’, stamelde ze.
‘Dan zit je toch echt in de verkeerde maand je feestje te vieren mam.’
Zelfs de kerstlichtjes voelden zich ongemakkelijk in de boom waaraan haar moeder steun zocht, ze knipperden zich stuk.
Stevens bericht is weer tamelijk lang. ‘Pas als ouders toegeven aan hun seksuele driften, falen ze in hun verlangen om dicht tot elkaar te komen. In het streven naar samensmelting bestaat het verlangen weer losgekoppeld te raken, waarmee het punt van onomkeerbaarheid is bereikt.’
Steven is een wijze jongen, ze merkt aan alles dat hij drie jaar ouder is maar soms draaft hij door.
‘Thanks, ik voel me nu stukken beter.’

Haar moeder kijkt naar buiten en wil het raam openen. ‘Het is toch werkelijk geen gezicht.’
Haar vader aait het leren zitvlak van de brommer, de jongen strijkt zijn haren glad.
‘Het zijn verdikkeme nog net de Blues Brothers niet.’
‘Laat hem toch.’
Elvis wil geen gedoe tussen haar ouders in een open raam.
Even later keert haar vader enigszins teleurgesteld terug. De buurjongen heeft geen oude ziel, de brommer is een erfstuk van zijn overleden opa dat hij niet van de hand wil doen.
‘We hebben wel een andere deal gemaakt.’ Zijn zonnebril glibbert van zijn hoofd.
‘Ik mag hem zaterdag lenen, als hij met jou een date mag Elvis.’
Luid klapt hij in zijn handen.
‘Je weet toch niet of Elvis dat ook wil Bart?’
Elvis rent de trap op. Waarom moet haar vader het weer verpesten? Ze is geen koe die hij kan verhandelen. Ze wil geen date met de buurjongen, hij is haar kijkobject, zo’n exemplaar dat ze stiekem vanachter haar raam observeert. Zo’n jongen die ze zich heeft toegeëigend, die troost biedt op momenten van eenzaamheid, naar haar zwaait als ze zich rot voelt. Zijn brommer op de standaard als zij thuiskomt is een geruststelling, veilig geparkeerd, dicht bij haar.
Hoe kan haar vader haar als troef inzetten? Zelfgenoegzame egoïstische seksbeluste dieren zijn het, ze tijgeren zich een weg door haar heen. Ze laat het niet toe, ze kunnen niet over haar heen jagen, haar vangen als een prooi.
De jongen start zijn brommer, de Kreidler lijkt te huilen. Ze wil niet dat hij gaat. Ze wil zich niet alleen voelen. Ze wil even boven haar ouders uitstijgen, zich verstoppen in de uitlaat van zijn brommer en als rook uit de sigaar opgaan in het niets.

Taart voor Jeder

‘Macht nichts, Frau Elvis Hammers.’ Jeder, haar Duitse docent heeft een goede bui vandaag. Meestal gaat hij uit zijn dak als een leerling zijn vak niet serieus neemt en het huiswerk verstek laat gaan. Haar Duitse schrift moet nog onder haar bed liggen.
‘Ich habe meine Jahren vergangen, ich hatte bereits meine Zukunft hinter mir. Aber du Frau Hammers, du schuldest mir was.’ Hoezo is ze hem iets verschuldigd? Jeder tekent gniffelend op het bord. ‘Backe mir einen typischen deutschen Kuchen, einen Streuselkuchen!’
De vorm op het whiteboard is overduidelijk. Gegrinnik in de klas.
‘Een taart bakken?’ Ze denkt er niet aan, ze heeft morgen een wiskundetoets en wil ook nog gamen.
‘Jawohl, Frau Hammers, einen Streuselkuchen!’ De bolle wangen van Jeder kleuren rood, de adertjes strak gespannen. Ze roepen om de taart en de suiker die hem nog vadsiger zullen maken. Hij slaat zijn handen op zijn buik en trommelt erop los. Knettergek is Jeder, dat weet iedereen. Zodra hij kan, maakt hij misbruik van alle situaties die zich voordoen.
Te laat komen betekent koffie halen, door het halen van een onvoldoende gaat zijn auto in het sop, en de strafmaatregel voor huiswerkverzuim is geheel afhankelijk van zijn bui. Vorige week moest iemand vijf dagen lang zijn hond uitlaten, een Duitse Affenpinscher. Hij nam ‘die Hedwig’ mee naar school, waarna een leerling zijn pauzes moest opofferen om het stinkbeest te laten poepen. Ze had nog nooit zo’n lelijke hond gezien, de ingeklapte neus maakte een bokser van het beest. Het had een nare uitstraling en in haar lange baard zaten etensresten verscholen.
Jeder was gek op zijn hond. Als hij haar meenam plaatste hij die Hedwig in een roze mand op een kussen in de vorm van een troon. Als de hond zich omdraaide rinkelden haar kussenbelletjes. Jeder sprong dan op: ‘Wir haben dass nicht gewusst! Leg dich hin und schweig Frau Hedwig!’ De hond was de uitspattingen van haar baas gewend en lag de rest van de les als dood op haar troon.
Jeder was meerdere malen aangeklaagd maar had door zijn veertigjarige loopbaan op school, zich altijd uit de klauwen van verongelijkte ouders weten te houden.

‘Ik moet een taart bakken voor Jeder.’ Haar moeder zit op haar yogamat.
‘Jeder? Is dat die asielzoeker?’
‘Dat is mijn docent Duits.’
‘Is ‘ie jarig?’
‘Ik was mijn schrift vergeten.’
‘Nou begrijp ik er even helemaal niets meer van. Is die man nou jarig of niet?’
‘Nee, ik was mijn schrift vergeten en nu moet ik een taart voor hem bakken.’
‘Gatverdamme, ik zit nou echt even in een heel donker gat om het licht weer te kunnen zien.’
Haar moeder gaat languit liggen en strekt haar armen uit. ‘Wat denkt die man wel? Ik sta niet toe dat jij zijn buik spekt alleen omdat je een schrift bent vergeten.’
Het is het beste haar moeder uit te laten razen. ‘En zouden wij die Beierse buik moeten vullen van onze centjes?’ Haar moeder hapt van haar appel en geeft haar bescheten blik.
‘Eerst was ik er ook op tegen. Hij kan toch niet als docent zijn eigen regels maken? Totdat er een auto naast mij stond voor het stoplicht. Ik keek naar binnen, een sukkel met een aktetas op schoot wachtte geduldig het groene licht af. Ik deed wat stappen naar achteren en keek in de volgende auto. Een chagrijn met een das om praatte luid en druk, zijn vrouw die er naast zat leek op een bulldog. Haar wangen hingen en rimpels trokken haar mondhoeken een ravijn in. Toen ik aankwam bij de derde auto zat een vrouw achter het stuur, ze keek droevig. Haar moeder op de voorbank at een boterham die ze niet lekker vond, ze gooide hem stiekem door het open raam.’
‘Waar gaat dit verhaal naartoe Elvis?’ Haar moeder slurpt de hete thee weg.
‘We hebben meer Jeders nodig, school is al saai genoeg. Ik vind het heel goed om je eigen regels te maken, waarom laten we ons leven bepalen door anderen?’
‘Ik kan merken dat je ouder wordt Elvis, ik geef je eigenlijk groot gelijk.’

Die avond bakte ze de Streuselkuchen. Als Jeder regels maakt, is ook zij vrij in haar keuze. Iemand had voorgesteld om een beetje wiet langs te brengen om in de taart te verwerken. De groepsapp van haar klas ontplofte, iedereen bemoeide zich ermee. Ze stelde zich voor hoe hij thuis met die Hedwig op schoot zat. Misschien had hij een vrouw maar het leek haar logischer door de manier van aanbidding, dat die Hedwig de enige was in zijn leven. Samen zouden ze trippen op haar taart, in een achtbaan zou die Hedwig het leven beter begrijpen en haar verwende plek op de troon opgeven. Jeder kreeg vast heimwee naar zijn tijd in Berlijn, helend zou hij terugkeren met zoveel ervaringen rijker. Ze wil hem dat niet ontzeggen, ook hij heeft recht op een uitje. De taart moet een indruk achterlaten, hij moet weten met wie hij te maken heeft. Deze bakkersactie is natuurlijk de enige en de laatste keer. Volgende week is ze haar pen vergeten en mag ze er weer een bakken.

De volgende ochtend overhandigt ze onder luid applaus de taart aan haar docent. De klas zit in afwachting maar Jeder laat de kruimeltaart onberoerd en bedankt haar nogmaals wanneer ze het lokaal verlaat.
Twee dagen later kan ze haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en vraagt hem of de taart lekker smaakte. Hij wrijft zich over de buik. ‘Frau Elvis, de taart schmeckte unglaublich met de juiste ingrediënten. Het was namelijk zo, Frau Hammers, dat ik de taart naar mijn moeder bracht die jarig was.’
Elvis wil weglopen.
‘Ik zal eerlijk met je zijn Frau Elvis, het was een prachtige middag. Na het aansnijden van de taart keek mijn dementerende moeder zoals gewoonlijk televisie, maar plots zette ze hem uit.’
Zal ze opstaan en zich opsluiten op de wc? Jeder gaat er voor zitten. ‘Mijn moeder is een gesloten boek, maar nu brak ze open. Ze sprak over onze tijd in Berlijn, de muur die onze families uit elkaar dreef, mijn vader die zomaar voor een auto liep. De kanaries, vissen en marmotten moesten de leegte opvullen maar de pijn van mijn moeder werd er niet minder door. Die Hedwig is de eerste die mij aanvoelt, zij komt voor mij op. Wat kan je verwachten van een vis?’ Dit kan nooit goed gaan, hij zet een valstrik waarna een schorsing volgt.
‘Samen keerden we terug naar mijn middelbare school, mijn moeder en ik. Het ging in vogelvlucht, we bezochten haar Bonbonmacherei in de Wendelstrasse, en namen onze vlucht door naar Nederland, om opnieuw te beginnen. Frau Elvis, wat wij die avond hebben meegemaakt was een zeer bijzondere ontmoeting op hoog telepathisch niveau. Af en toe bereikten we een afgrond maar we durfden tenminste de diepte in te kijken. Mijn moeder herkent mij weer, ze weet weer wie ik ben, Jonas Jeder.’
Hij geeft haar een knipoog en staat op. ‘Het is goed hoor Frau Elvis, wees een revolutionair. Er zijn teveel soldaten die commando’s opvolgen. Mensen schrijven regels voor, anderen volgen ze op. Ik zou je bijna willen vragen om morgen weer je schrift te vergeten, maar zo’n ervaring doe je maar eens in je leven op. Van mij mag ik sterven nu alle kleuren aan mij verschenen zijn.’
Hij pakt zijn tas, ze kijkt hem na. Terwijl die Hedwig haar poot optilt en tegen een pilaar aan plast kleurt de gang licht op. Het beest draait zich nog even om, richt uitdagend haar boksersneus op en laat grommend haar tanden zien.

Foto door Pixabay op Pexels.com

Wie zwijgt, stemt toe

Zijn vingers volgen de plooien van haar lijf. In cirkelvorm wandelen ze een trage tocht. Stefan heeft nooit haast, het is zijn manier van leven, zoals haar vader van slow cooking houdt en ’s morgens om zes uur de ingrediënten voorbereidt voor de maaltijd van die avond. Stefan neemt de tijd voor haar, misschien heeft hij rust omdat hij ouder is.
Jongens van haar eigen leeftijd weten nog van niets. Ze hebben geen controle over hun eigen lijf, laat staan over dat van haar. Hun klamme handjes pakken, prakken en plakken. Soms doen ze het al in hun broek voordat er nog maar iets is gebeurd. Jongens van bijna achttien zijn rustiger, ze hebben al wat meegemaakt en doen er niet zo wiebelig over.
Volwassenen doen ook altijd zo raar over seks, ze durven het woord amper uit te spreken. Toen haar lichaam veranderde en de mannelijke aandacht langzaam van moeder ook naar dochter verschoof, kwam haar moeder aarzelend met een boekje aan, met een blote vrouw op de voorkant. Een man zat geknield voor haar, met zijn hoofd tussen haar benen.
‘Kijk maar niet naar de foto voordat ik het een en ander heb toegelicht.’
Elvis keek naar de rug van de man waar een puist op zat. Aan het kapsel van de vrouw te zien kwam het boekje diep uit de vorige eeuw. Die puist konden ze in de tijd niet zomaar wegpoetsen natuurlijk.
‘Elvis, ik zeg toch, kijk niet zo naar die foto!’ Haar moeder draaide snel het boekje om, Elvis keek naar dezelfde vrouw die in een handomdraai van positie was veranderd. Met opgeheven hoofd zat ze tussen zijn knieën, haar rug zo glad als een bananenschil. ‘Mam, je hoeft me niets uit te leggen hoor, ik weet alles al.’
De mond van haar moeder stond open. ‘Er zit een koekkruimel op je tong.’
De mond sloot zich. ‘Hoezo weet jij alles al?’
‘Die dingen gebeuren gewoon, zonder hulp van zo’n boekje.’
‘Maar je bent nog zo jong Elvis.’
‘Ik ben ouder dan je denkt hoor, ik ben al bijna zestien. Bovendien is het maar een werkwoord, net zoals eten en drinken. Ik vind het allemaal niet zo bijzonder.’


Stefans rode hoofd hangt boven haar, het staat op ontploffen. Zijn blik is geconcentreerd alsof hij een ontsteker uit een bom moet zien te halen. Hij lijkt te lijden, er kan geen lachje vanaf, en als hij dan eindelijk de bom tot ontploffen brengt, is hij nog steeds op de vlucht. Zijn adem gaat zo snel alsof hij achterna wordt gezeten door de bloedhonden uit de Duitse Krimi die ze samen kijken. Zijn hoofd richt zich op van haar buik. ‘Vond je het fijn?’
Dat zijn van die stomme vragen. Jongens zijn altijd zo onzeker, die voortdurende vraag naar bevestiging is onnodig. Als ze het niet fijn vond, ging ze niet met hem om, liet ze hem niet toe in het bommenparadijs, en waren zijn handen niet om haar middel geslagen. Het woordje ‘fijn’ was ook al zo ongelukkig gekozen. Fijn is de zijde van haar jurkje, het zand tussen haar vingers op vakantie, haar pas gewassen haar, het tricottruitje.
En als ze antwoord geeft, krijgt ze minstens twee vervolgvragen. ‘Hoe fijn was het op de schaal van een tot tien, en wat vond je precies fijn?’
Daar doet ze niet aan mee. Het maakt het plat, zo plat als een pannenkoek. Je eet hem op, je vertelt de kok hoe goed hij smaakt en neemt er nog een. Woorden zijn soms onnodig, zwijgen zegt zoveel meer.
Zijn vragende blik kijkt tegen haar op. Voorzichtig trekt ze hem aan zijn hoofd omhoog, behoedzaam omdat hij zo breekbaar is. Nu hij zo boven haar hangt en haar antwoord in spanning afwacht, betreedt ze de wereld van houden van. Dat is een raar gevoel, alsof je vliegt en telkens de grond wilt voelen maar na iedere landing toch weer opstijgt.
Ze veegt een lok uit zijn ogen en draait hem op de rug. Hij kijkt opzij en opent zijn mond om voor een tweede keer de vraag te stellen. Ze legt haar vinger op zijn lippen, strijkt met haar hand zijn haar achter zijn oren en kust hem teder op de mond.


illustratie