Prakmoes van meneer Van der Woude

Dit is het verhaal van meneer Hofstee. Hij woont in de Oranjestraat naast meneer Van der Woude. De twee hebben al jaren ruzie over een thermoskan, ooit door meneer Van der Woude uitgeleend aan meneer Hofstee en zijn wandelvrienden. Eens in de maand maakt de club ‘Voorwaarts mars’ een wandeling van dertig kilometer op streekpaden, waarvoor meneer Hofstee ruim een week van tevoren zijn wandelgids doorspit. Om de kilometer zet hij een rood vlaggetje langs paden die dwars door weilanden lopen en ruiterpaden kruisen.
Als mevrouw Van der Woude zich er niet tegenaan zou bemoeien waren haar man Wim, en Harry Hofstee nog dikke vrienden. Ze roken graag samen sigaar en willen nog wel eens een kaartje leggen. Nu niet meer. Ze zijn samen chagrijnig en staren uit het raam, ze wachten op tijden van vroeger, momenten die niet meer terugkeren.

Elvis, ik vind het een grappig verhaal maar het voldoet niet aan de opdracht, nogmaals: schrijf een essay over de bekrompenheid van de samenleving. Mijn advies: trek het breder, maak het raakvlak groter, trek de buren uit elkaar en stap uit de straat.

Na een middag naar het scherm te staren, zal ze toch de vraag op tafel moeten gooien. Haar moeder schept aardappelen op, de rode kool ernaast walmt, de sudderlap snijdt ze aan met het antieke mes. Dit is een burgerlijk tafereel, het eten van een paar eeuwen terug voorgeschoteld krijgen.
‘Wij eten toch nooit zo raar?’
Een deel van de sudderlap wordt door haar moeder op haar bord gelegd.
‘Wat is hier raar aan? We vervreemden steeds meer van onze eigen cultuur als we niet eens meer een aardappel mogen eten.’
‘Sinds wanneer eten we aardappelen?’
De eerste hap glijdt al door haar vaders keel.
‘Sinds ik de Hollandse pot weer heb ontdekt. Het is een cult om weer stamppot te eten, een oude liefde die plots weer heerlijk smaakt, bovendien bevatten ze vitamine C, vezels, kalium en antioxidanten voor de weerstand.’
Haar moeder knikt instemmend en ruikt aan de rode kool.
‘Eigenlijk smaakt het lekkerder met appeltjes, maar die had ik niet in huis.’
Elvis neemt een hap van de kool.
‘Je moet het prakken,’ de vork van haar vader drukt zich in de rode smurrie, ‘kijk zo.’
Waarom zou ze dat doen, alleen al van het geluid wordt ze misselijk.
‘Het is een traditie Elvis, prakmoes voelt nu eenmaal anders in de mond. Ik vind het een sensationele ervaring, jij niet?’
Haar vader maakt een kuil in het midden, haar moeder vult het met jus.
‘Nog een beetje Els, zodat het lekker vulkaniseert.’
‘Ik vind het een smerige en burgerlijke maaltijd.’
‘Eten is niet smerig Elvis, er zijn mensen die hier een moord voor plegen.’
Haar moeder snijdt een stukje van haar sudderlap af en mengt het met de rode koolprut.
Als je hier een moord voor pleegt, ben je niet goed in de bovenkamer en zijn je smaakpapillen ziek. Ze moet nu toch eens die vraag stellen voor dat stomme essay.
‘Wat vinden jullie bekrompen?’
‘Wat of wie?,’ het glas water van haar vader schommelt in zijn hand, ‘want als je naar een persoon vraagt Elvis, dan ben jij het.’
‘Ik, hoezo?’
‘Omdat je denkt dat het eten van een aardappel een mens burgerlijk maakt.’
Het mes op haar moeders bord maakt een knarsend geluid.
‘Nou, je bent inderdaad bevooroordeeld Elvis, en dat is ook een vorm van bekrompenheid.’
‘Ik vind mezelf helemaal niet bekrompen.’
‘Nee, natuurlijk niet,’ haar vader haalt zijn hand door zijn haar, ‘ik vind mezelf ook helemaal niet knap maar ik ben het wel.’
Schaterend wipt hij op zijn stoel.
‘We worden steeds bekrompener, het is Holland op z’n smalst, we denken tolerant te zijn maar we zijn een gezamenlijke bekrompen geest. We zijn bang voor andere culturen, invloeden van buitenaf, vooruitgang, beweging, maar soms is behoudend zijn helemaal niet erg, dan wil je teruggrijpen naar iets wat je kent.’
‘Zoals de aardappel?’
Even trilt haar bord als hij hard met zijn vuist op tafel slaat.
‘Juist! En dat heeft niets met bekrompenheid te maken. Dat weet je toch Elvis? Wij zijn niet bekrompen.’
Haar moeder ruimt de tafel af.
‘Weet je wie bekrompen zijn?’
Het zal vast de overheid zijn, of de premier.
De stoel van haar vader wipt weer naar achteren.
‘Onze buren.’
De vaatwasser wordt aangezet.
‘Ja, Hofstee en Van der Woude! Die twee waren de beste vrienden en kregen ruzie om iets onbenulligs.’
Haar vader staat op en schuift zijn stoel aan.
‘Ja joh, waar ging het ook alweer over? Een boormachine, of iets anders stoms.’
‘Een thermoskan.’
‘Een thermoskan inderdaad! Hoe weet jij dat nou weer Elvis?’
Ik keek net uit mijn raam toen dat ding uit zijn rugzak op straat viel. Die ene buurman met die bril poetste hem op, maar hij lekte en had een deuk.’
De stroopwafels worden door haar vader op tafel gezet.
‘Die buurvrouw schijnt al jaren jaloers te zijn op de vriendschap tussen die mannen, die manipulatieve draak maakt zo’n kabaal dat het een wig drijft tussen die twee.’
‘Het zijn ontzettende leuke gasten met elkaar, nu zit Van der Woude de hele dag met die heks opgescheept.’
De koffiegeur reist door de kamer.
‘Dat moet een bekrompen geest zijn.’
‘Precies Elvis, een burgerlijk tafereel, ik denk dat er ’s avonds aardappelen op het menu staan die ze prakken tot moes.’
‘Ja,’ vult haar moeder aan, ‘en bij de koffie serveren ze vast stroopwafels. Wat een bekrompen geesten, brrrrr, blijf daar maar ver van uit de buurt Elvis. Bekrompenheid is volksziekte nummer een en zo besmettelijk als de pest.’

Foto door Sunsetoned op Pexels.com


Altijd zes


‘Moet je kijken Elvis, wat ik nu weer heb gevonden!’
Stefan pakt de afstandsbediening.
‘Mam, we zitten middenin een documentaire.’
‘Kijk nou toch, moet je eens lezen.’
Haar moeder komt aangesneld en houdt een vel papier omhoog, Elvis pakt het velletje aan, Stefan leest mee,

‘Mijn vader is een verzamelaar,
hij rookt een Cubaanse klapsigaar
die hij uit een kistje tovert
waarmee hij mama’s hart verovert.’

‘Vind je het niet enig? Zo koddig, je moet een jaar of zes zijn geweest.’
Met een plof neemt haar moeder plaats op de bank.
Ze heft haar billen op en haalt de chipszak weg.
‘Elvis kon al op jonge leeftijd rijmen.’
‘Dichten,’ Stefan neemt een graai uit de zak.
‘Nou, op die leeftijd heet dat rijmen hoor, zoals je doet op vijf december.’
Hij leest de tekst nog eens door, ‘ik vind het anders een knap gedichtje voor een zesjarige.’
Haar moeder gaat er voor zitten en trekt haar benen op de bank.
‘En weet je wat nou zo bijzonder is, dat sigarenkistje hebben we nog steeds, het staat bij Elvis’ vader op de werkkamer.’
Stefan heeft door dat de documentaire op zich laat wachten en strekt zijn benen uit.
‘O echt? Eigenlijk is het best een dubbelzinnig gedichtje.’ Hij neemt de regels nog eens door.
Het wordt tijd dat Elvis zich er tegenaan gaat bemoeien, wat overdreven om zo gestoord te worden omdat haar moeder toevallig iets opduikt.
‘Het is een versje,’ ze kijkt haar moeder aan die met haar handen onder haar hoofd steeds dieper de bank inzakt, ‘meer niet.’
Stefan leest het weer over.
Elvis grist het papier weg. ‘Wat hebben jullie? Het is geen Shakespeariaans werk, het is een simpel versje.
Ik had er een hele reeks van.’
‘O echt? Heb je er nog meer van?’
Haar moeder gaat recht op zitten, ‘het is zo bijzonder en nog met de handgeschreven ook, waar vind je nog zoiets?’
‘Op elke kinderkamer hoor mam, alleen had je er vroeger weinig oog voor.’
‘Nou, dat geloof ik niet, misschien dat je net op het verkeerde moment aan me zat te trekken.’
‘Een verkeerd moment van vijftien jaar lang.’
‘Nou ja Elvis, doe niet zo pathetisch.’
Natuurlijk doet haar moeder weer de wisseltruc, ze vangt de bal op, voelt dat hij lucht lekt en gooit hem terug.
‘We gaan even verder kijken mam.’
Het is nu wel even genoeg geweest. Haar moeder verveelt zich natuurlijk nu al haar vriendinnen in quarantaine zitten of laveloos op de bank gesprekken voeren met hun teennagels.
‘U mag anders wel meekijken,’ Stefan knikt naar Elvis, ‘toch?’
Ze kan natuurlijk onmogelijk zeggen dat ze daar geen zin in heeft, liever leunt ze tegen de Tommy Hilfigertrui aan zodat ze naar zijn hart kan luisteren.
‘O, heerlijk, ik haal even wat dadels.’ Gehaast sloft haar moeder de keuken in, ‘willen jullie ook wat?’
‘Neemt u maar twee biertjes mee.’ Stefan knijpt Elvis in de wang, ‘zo erg is het toch niet, je moeder is best gezellig.’
Met de dadels en biertjes op haar schoot gaat ze naast Stefan zitten.
‘Heerlijk om even naast jouw jonge God plaats te nemen, Elvis. Waar gaat de documentaire eigenlijk over?’
‘Over digibetisme.’ Elvis hoopt dat ze afhaakt.
‘O, daar heb ik ook last van, daarom val ik als een blok voor zo’n geschreven rijmpje.’
Vroeger had ze er nooit oog voor en opeens plaatst ze Elvis op een troon alsof ze de dichter des Vaderlands is.
Haar moeder schatert om de grap die Elvis al honderd keer heeft gehoord. Ze kan er maar het beste van maken en er gewoon naast blijven zitten.

Ze moet echt eenzaam zijn om zomaar aan te schuiven. Hoe moet het als zij over een paar jaar op kamers gaat, hoe vult ze dan haar dagen in? Elvis ziet de lege bank voor zich, ze zal haar teennagels lakken, de versjes teruglezen en verlangen naar de middag van dadels en bier.
‘Kom bij me zitten, als je even met je ogen knippert zijn we zo weer negen jaar verder.’
Haar moeder neemt een slok bier, terwijl ze nooit bier drinkt en laat vervolgens een boer, wat ze onbehoorlijk vindt.
‘Drink je niet mee?’
Elvis heeft geen zin te vertellen dat haar moeder haar flesje leegdrinkt en haar plek inneemt, de bank bezet terwijl ze tegen die trui wil aanleunen.
Ook wil ze niet erkennen dat zij net zo bang is voor de tijd, en ergens altijd zes had willen blijven. Als je kunt rijmen over beren, konijnen en sigaren denk je in eenvoud en ben je alle ismes voor, nazisme, calvinisme, narcisme, seksisme, vulgarisme. Eenmaal ouder moet je daar een mening over vormen en met je moeder kijken naar een documentaire over digibetisme, terwijl zij er doorheen tettert en jij het wilt volgen.
En als je dan eindelijk op een leeftijd bent dat je je grenzen kunt aangeven en je moeder een halt wilt toeroepen, doe je een beroep op je emotie, die je zegt dat er besef is. Dat als je een keer met je ogen knippert alles anders kan zijn. Je moeder kan dood neervallen en je vriend kan je verlaten, die ene vriendin laat je barsten en de telefoon knalt uit elkaar.
In die wetenschap blijft Elvis zitten en geniet ze van een saaie documentaire, naast haar moeder op de bank. Haar voeten rusten op Elvis’ schoot. Elvis fluistert de teennagels iets toe, maar nagels praten alleen terug tegen degenen van wie de tenen zijn, waar ze op rusten.
En daar kom je weer achter als je wat ouder bent, een kind hebt, op de bank naast haar zit, jong wilt lijken en jouw dochter contact legt met jouw teennagels, die uiteraard zwijgen.
Natuurlijk weet Elvis dat, maar als je eenmaal met je ogen knippert kan alles anders zijn.


De bubbel van 1969

‘Als ik alles over zou mogen doen, vanaf de oorsprong, en zelfs het gewurm door het geboortekanaal opnieuw moet doorstaan, dan zou ik zeven keer rond de aarde gaan, mijn minnaressen bij naam noemen onder de gordel van Orion, en maakte ik een pirouette op een Budjonny op weg naar Wenen.’ Haar vader klapt zichzelf op de knie en kijkt zijn vrienden aan.
‘Tja, dat kan nou eenmaal niet.’ Willem wrijft zich achter zijn oor.
‘Nee droogkloot, zo ver was ik ook al.’
Vroeger was alles beter, de mensen zweefden de jaren door. De rokjes wapperden op als de tram klingelde en voorbij reed. Mensen liepen met een los bontje om de kraag van hun lange jassen, die ver tot over de knieën met de klinkers lonkten. De jaren vijftig waren vleugen van hoop, warme chocomelk met anijs brachten het volk in een gezamenlijke vreugde.
Elvis kent de verhalen van haar vader die ze weer overgeleverd kreeg van zijn vader. De betere tijden moet ze als waarheid aannemen, ze heeft geen vergelijkingsmateriaal. Haar vader vergelijkt de pandemie met de jaren zestig. De biertjes klinken en het vuur wakkert aan.
‘Was er toen ook zo’n virus?’
Willem wrijft zich achter zijn andere oor. ‘Dat heb ik dan gemist.’
Haar vader gaat rechtop zitten. ‘Nee Elvis, er was een bubbel, maar een andere dan waar we nu in zitten. Toch denk ik dat de meesten hem als minder positief ervaren en zich eerder opgesloten zien in een bunker.’
‘Anders ik wel,’ Willem trekt er nog eentje open.
‘Ik denk,’ haar vader schuift zijn benen ver uit elkaar, ‘dat wij onszelf overstijgen in onze welvaartsbubbel, het prachtige onderkomen waarin we ons alles kunnen veroorloven, zien we niet meer. We voelen de vreugde niet, we zijn gedegradeerd tot onderkruipsels van het systeem dat ons de afgrond in werpt.’
‘Welk systeem?’
‘Het financiële natuurlijk. Dat wat ons ontbeert is niets meer dan de absolute leegheid. Onze arrogantie de wereld te besturen, ons leven te beheersen heeft het nulniveau bereikt. Ik ben er blij mee, ook ik was mijn kompas kwijt, de wil om anders te kijken is terug. Eigenlijk heeft de pandemie mij gered van het nog dieper wegzinken in een elitaire ongelijkheid waarop de wereld is gestoeld. We zijn nu allemaal gelijk, iedereen kan aan de beurt zijn.’
Willem gaapt. ‘Welke bubbel was er dan in de jaren zestig?’
‘Ken je dat fenomeen niet?’ Haar vader schudt met zijn hoofd alsof er een aardverschuivende gebeurtenis over het hoofd wordt gezien.
‘Welk Menofeen?’ De schoenen van Willem kijken beduusd, ze verstoppen zich onder zijn stoel.
‘In de jaren zestig stond bubbel voor adem, voor licht en lucht. Huizen als bubbels werden ontworpen, lampen in dezelfde vorm hingen in woonkamers, maar de grootste bubbel vormde zich op Hawaï.
Een vulkaanexplosie bracht daar een bubbel van wel drieëntwintig meter hoog. Mensen vonden het een wonder, die immense rode lavabol aan de horizon werd het symbool van kracht en hoop.
‘Die bubbel waar we nu in zitten geeft toch geen kracht en hoop?’
‘Wel als je er anders naar kijkt Elvis, maar dat leer je later als je meer hebt meegemaakt, dan weet je een opening van een zwart gat te onderscheiden.’


Hij staat op en gaat naast haar zitten. Deze avonden zijn goud waard. Bij de vrienden van haar vader aanschuiven en luisteren naar hun verhalen. Kijken hoe ze aangeschoten worden, haar vader die op de gitaar speelt, het geluid van brandend hout, haar moeder die met bitterballen en pelpinda’s langsgaat, het biertje dat zij meedrinkt. Leunend tegen zijn schouder weet ze dat ze die bubbel niet met haar vader kan delen. Eigenlijk begrijpt ze niets van zijn verhaal, een bubbel ervaart zij als fijn samenzijn met iemand op een eiland waar je voor altijd wilt blijven, zoals ze weleens met Stefan heeft.


‘Hoe is de pandemie voor jou?’ Haar vader kijkt haar aan, ze wordt nog net niet dronken van zijn adem.
‘Niet leuk, ik kan nergens heen, alle cafeetjes zijn dicht, ik mag niets. Ik mag niet in groepen lopen of fietsen, in supermarkten word ik ontweken. Als ik per ongeluk kuch, hollen mensen weg. Op school zit ik op de tocht, het is ijskoud, en ik kan me niet concentreren. Docenten lopen met een boog om me heen en worden op een voetstuk geplaatst, alsof wij allemaal ziek zijn en iedereen met opzet willen besmetten. Ik voel me genegeerd, wij doen er nu eenmaal niet toe en niemand neemt ons serieus omdat wij per ongeluk jong zijn en het virus mogelijk overdragen. Nu je het toch vraagt, ik voel me het grootste deel van de dag rot. Ook ik wil zo zitten met mijn vrienden en niet bang zijn op een feestje voor de politie die voor de deur staat, zodat ik weer naar huis moet.’
Ze wordt stevig tegen zijn torso aangedrukt.
‘Waarom feest je dan niet zoals wij doen, rond het kampvuur?’
‘Ik heb meer dan vijf vrienden pap, dan staat de hele tuin vol, feesten doe je met veel.’
‘Ik wist niet dat je je zo eenzaam voelde.’
Willem staat op. ‘Nee natuurlijk niet Bart, jij ligt in die bubbel van je. Ga lekker in je eentje genieten van die mooie crisis waarin jij blijkbaar in een rubber bootje ligt te drijven. Jouw dochter lijdt zich te pletter, maar jij ziet het niet omdat jij een andere waarheid maakt. Mensen sterven, weet je dat? En ik geloof best in die bubbel van 1969 die hoop gaf, maar deze blubberbubbel van jou geeft een andere hoop. Een hoop shit en ellende. Jij leeft in een bubbel die niet de mijne is.’ Waggelend vindt Willem zijn fiets.

‘Ach, hij heeft wel eens vaker een kwade dronk.’
‘Hij is misschien niet dronken, hij ziet het gewoon anders dan jij pap.’ Elvis staat op en zwaait de rest van de vrienden gedag.
‘Klote voor je Elvis, maar houd vol, voordat je het weet pak je weer een lekker festivalletje.’ Een arm jengelt omhoog.
De vrienden zijn leuk maar ze voelen niet wat zij voelt. Ze weten niet hoe mensen naar haar kijken, oude mensen met een angstige blik en alle andere zien haar gewoon niet. Alsof ze nooit heeft bestaan en altijd in een bubbel boven de aarde heeft gezweefd. Misschien is ze een slap aftreksel uit 1969 en spat ze straks als een lavabelletje uit elkaar en zal haar licht nooit voor iemand aan de horizon schijnen.

Foto door Pixabay op Pexels.com

De betekenis

Zijn jas hangt open, het shirt eronder dient een verzoek in, ‘Leave me alone’. De blik van de jongen is strijdbaar, alsof hij een brug heeft gebouwd, met zijn blote handen de metalen constructie heeft gelegd, en op de middenweg zijn huldiging afwacht. Dat lukt natuurlijk niet met zo’n tekst op je borst.
‘Dit is Wassim.’ Van Donselaar staat er onhandig naast, haar handen proberen elkaar te schudden. ‘Wassim komt uit Syrië en wil hier een bestaan opbouwen samen met zijn familie. Willen jullie hem opvangen?’
Zijn uitdagende blik beheerst de ruimte.
‘Kim, mag Wassim naast jou zitten?’
De jongen glimlacht naar haar truitje als hij plaatsneemt. Kim schuift haar stoel op.
‘Wat doe jij nou? Heet jij op deze manier onze nieuwe leerling welkom, door een meter het gangpad in te duiken?’
Haar docent Tekenen loopt bemoedigend op Wassim af en schrijft iets in zijn schrift, ‘Zoo schrij-ven wij wel-kom.’ Zoo praat ze natuurlijk ook tegen haar moeder die niet doof is. Elvis ziet geen menselijke partner naast haar, eerder een hond die ze africht en haar commando’s opvolgt.
‘Ik weet hoe wij ‘welkom’ schrijven, ik spreek goed Nederlands en kan u prima volgen. U hoeft mij niet anders te behandelen dan de rest.’
Van Donselaar snuit haar lege neus. ‘Zo, dat gezegd hebbende gaan we over tot de orde van de dag. Graag zie ik een Escheriaans werk zoals vorige week besproken. Combineer het mathematische aspect met de illusie waar we het over hadden. En omdat de nieuwe meneer niet anders behandeld wil worden, mag hij voor de juiste instructie even meekijken in de aantekeningen van Kim om daarna zelfstandig aan de slag te gaan.’

Wat een manier om die jongen welkom te heten. Ze kan beter lesgeven aan kleuters, alhoewel die haar door hun directheid zouden slopen. ‘Juf stinkt naar konijnenhok.’
Elvis benoemde volgens haar ouders als kind, alles wat ze eigenaardig vond.
‘U heeft een grote neus’, tegen de ober in het Chinese restaurant.
‘Dank je wel dat jij mij ziet. Ik heet Bizi, mijn ouders hebben mij naar hem vernoemd.’ De man wees lachend naar zijn neus.
‘Zij waren blij met mijn neus, zo kon ik het beroep van mijn vader overnemen, dat van kok.’
Vol enthousiasme legde hij haar moeder zijn favoriete gerecht voor.
Elvis weet nog hoe ze haar gezicht onder de kin van de ober stak en schuin omhoog, beide neusgaten inkeek. Zulke grote had ze nog nooit gezien. De neus besloeg minstens een kwart van zijn gezicht. Het was een wonderlijke ontdekking vanuit dit gezichtspunt.
Haar moeder trok haar terug in de stoel en draaide zich weer naar de ober, die onverschrokken met zijn uitleg verder ging. En weer stak Elvis haar hoofd onder de neus. Een wereld van haartjes openbaarde zich, vrouwtjes in snotkarretjes reden door de neusgatenpoort en baanden zich een weg door het Harenbos. Toen een vrouwtje uit haar karretje dreigde te vallen, bedacht Elvis zich geen moment. Ze boorde haar vinger diep de neus in. De man greep naar zijn hoofd en liet de menukaart vallen.
Elvis werd met harde hand in de stoel teruggeduwd, ze weet nog dat haar vader haar verdedigde, want zo waren kinderen nu eenmaal.
‘Dit betekent iets anders Bart Hammers, dit doen andere kinderen niet.’
Haar vader zei niet te weten of andere kinderen in neusgaten zaten.
‘Dit signaal mogen we niet negeren, dit is buitensporig gedrag. Wat betekent het?’
Ze trok de kroepoek uit Elvis’ hand, de bewegende wenkbrauwen van haar moeder vertelden veel, Elvis heeft er weinig van onthouden.
‘Els, het betekent niets, Elvis gaat op ontdekkingstocht. Dat hoort bij haar leeftijd.’
Haar vader smokkelde kroepoek onder tafel haar kant op, en na een lang stilzwijgen werd de specialiteit op een serveerwagen binnengereden. Met uiterste voorzichtigheid nam haar moeder de eerste hap.
‘Voor straf word ik vergiftigd, let maar op, Aziatische mensen hebben zo hun eigen praktijken, vooral Chinezen. Je weet niet wat er zich achter die ogen afspeelt. Ze lachen, maar smeren intussen mijn Pekingeend met natriumnitraat in.’
De eend werd in kleine hapjes gegeten. Elvis moest ook een paar stukken eten.
‘Waar is dat nou goed voor?’ Haar vader veegde zijn mond af en smeet het servet op tafel.
‘Jij ook Bart,’ haar moeder propte een vork in zijn mond, ‘als we door een eend sterven, dan gaan we allemaal.’
‘Moet Elvis de dupe worden van jouw kronkel?’
‘Als ze niet als een torpedo haar vinger in die man zijn neus had gestopt, was ik nu nog zeker van ons bestaan.’
Het gerecht werd steeds behoedzamer op de tong gelegd. ‘When you are in Japan, never trust a Chinese man.’
‘Els, we zitten in ons eigen land, dus er is niets aan de hand.’
‘Gaan we nou de hele avond aan de rijmelarij?’
Haar vader gaf Elvis een knipoog en wenkte de man.
‘Doe mij er maar een biertje bij.’
De man snelde weg met zijn dienblad, Elvis zag hoe hij haar ontweek. Hij was natuurlijk bang geworden door haar ontdekking. Niemand wist dat een verborgen wereld de omvang van zijn neus in stand hield. Hij verloor onderweg zijn koksmuts en stopte zijn neus erin.

De jongen loopt op haar af. ‘Ik ben Wassim.’
Had ze naar hem gestaard toen ze met haar gedachten in een Chinese neus zat?
‘En jij?’
‘Ik niet.’
Ze beet op haar tong. ‘Ik ben Elvis.’
‘Weet je wat mijn naam betekent?’
Waarom moet ze een gesprek beginnen waar ze niet om vraagt?
‘Bange wezel.’
‘Wat is een wezel?’
‘Een soort muis in de vorm van een teckel.’
‘Een teckel? Wat is dat?’
Hij kan nog wel wat taallessen gebruiken.
‘Ik ben helemaal niet bang.’
Elvis tikt op zijn shirt. ‘O nee? Zo maak je geen vrienden Wassim.’
Hij kijkt naar zijn borst. ‘O, dat? Dat is maar een zin.’
‘Het betekent toch iets?’
Wassim haalt zijn schouders op. De bruggenbouwer laat de ijzeren constructie dalen. ‘Weet jij wat mijn naam betekent?’
Azijnzeiker, koningskind, bakkersjong, poetsmaniak, wat kan het haar schelen?
‘Aantrekkelijk.’
Komt hij nou helemaal naar haar toegelopen om zichzelf te verrijken?
‘Dat is dan mooi, ik ga.’
‘En wat betekent jouw naam?’
‘Mijn naam betekent niets.’
‘Niets?’
‘Het zijn letters zonder inhoud, net zoals de zin op jouw shirt.’
Ze loopt naar haar fiets. Als hij zich niet groter voordoet dan hij is, maakt hij misschien ooit zijn naam waar. Tot die tijd moet hij weten dat alles een betekenis heeft, een zwijgende moeder, de neus van een Chinees, woorden op een shirt, een klas die afstand houdt.
Ze hoort haar naam. ‘Elle-vis, ik weet het, jij bent een aparte vis!’
De bliksem geeft zijn lichtstraal, het fietspad regent plassen. Betekenisvoller kan de dag niet eindigen.

Foto door Quang Nguyen Vinh op Pexels.com

Ga je hok uit

Het interesseert Elvis niet wat de rest van haar vindt. De meiden uit haar klas, de bitches, de nerds, de paardenmeisjes, de dellen, ze worden allemaal in een hokje gepropt. Zij wil niet in een hok passen, ze is geen konijn. Een persoon is veel aantrekkelijker als hij nergens bij hoort en zijn intrek op een open veld neemt, de volgepropte hokken achter zich latend. Volgens haar vader ontkomt ze er niet aan, de natuur van de mens dwingt ons er nu eenmaal toe om zo overzicht te houden op de mensenmassa. Heeft zij ook zo’n oordelend oog? Ze probeert het in ieder geval te ontwijken.


De grijze jas van imitatiebont kleurt mooi bij haar ogen. Zij hoopt ook op een plek in het veld maar anderen hebben daar vast een andere mening over. Ze ritst de cognackleurige laarzen dicht. Zo is ze een nerd als ze boven een zeven scoort en een bitch als ze voor haar mening uitkomt. Toch voelt ze zich geliefd. Jongens zien haar graag en slechts een kleine groep meisjes stoort zich eraan. De meesten mogen haar, op ieder feestje is ze welkom. De laatste tijd slaat ze ze over, sinds mensen kotsend om haar nek hangen, vindt ze er weinig meer aan. Watjes zijn het, zij kan echt zoveel beter tegen drank dan al die brallers om haar heen.
De laatste keer kon ze Daan naar huis slepen, ze had om de vijf meter de neiging haar op straat te laten liggen. ‘Nee, je mag ze niet bellen, mijn vader is niet van het lachgas.’ Er viel weinig te lachen, als een jager trok ze aan de poten van het kapotgeschoten wild, de weg naar huis met een manke ree was lang en haar rokje veel te kort. Ze bibberde haar legging uit. Af en toe werden ze giebelend ingehaald door een stel paardenmeisjes of stopte er een auto met een eenzame man. Nooit stoppen voor een auto met een enkele zichtbare hand aan het stuur, je weet maar nooit waar die andere zich ophoudt. Als kind zag ze een piraat met een haak aan de andere arm voor zich, rustend op zijn schoot. Later begreep ze haar vaders woorden beter, viezeriken waren het.
Het gewicht van haar vriendin in benevelde toestand was verre van ideaal maar ze weigerde om in te stappen bij mannen die ze niet kende. Zelfs de Audi van Hugo uit 6 VWO liet ze voorbij gaan, ook hij reed met een hand aan het stuur. Terwijl hij het raampje liet zakken, zat zijn tweede hand aan een blikje bier vast. ‘Stom rijkeluisjoch.’
Slingerend reed hij de straat door en sleurde op de hoek een afvalcontainer mee. Het had nogal wat zwervend afval tot gevolg, een man aan de overkant schoof zijn raam open: ‘Hee, raap die kliko eens van de weg!’ Ze keek nog even om zich heen. ‘Ja, jij, met die dronken temeier naast je.’
Zijn gouden voortand weerkaatste in het schijnsel van de lantaarnpaal. Hij sloot zijn raam en draaide een shaggie, zijn blik volgde haar nauwlettend.
‘Botte bouwvakker.’ Elvis liep door en zette Daan in een portiek even verderop.
‘Laat me niet alleen Elvis.’ Ze kroop tegen een bloempot aan en hapte in de bladeren.
Elvis keek om de hoek van de straat, de kliko lag nog op de weg, de deur van de bouwvakker ging open. Een rolstoel reed naar buiten, de man stuurde richting de afvalcontainer en prikte met een grijper de troep op. Het was een akelig gezicht om de vloekende man te zien worstelen, misschien had hij ooit een bedrijfsongeval gehad en was hij dagen later in een diepe put gevonden. De weerkaatsing van zijn gouden tand in het zonlicht was vast zijn redding geweest. Aarzelend bleef ze staan, ze moest kiezen tussen een man in een rolstoel en een plantetende vriendin.


Daan hing voorovergebogen. ‘Volgens mij is dit een hennepplant, ik voel me opeens nog veel beroerder.
Elvis rook genoeg, dit was geen lavendelplantje. ‘Waarom eet je van een plant? Je bent toch niet het debiele zusje van een cavia?’
Ze hees Daan op die begon te huilen. ‘Ik een debiel, hoe kun je dat nou zeggen?’
Het gehuil echode in de portiek. Een man deed open, een urinelucht gierde het huis uit. ‘Wat is hier aan de hand, mijn portiek uit!’
Dat moest wel een junk zijn. Zijn ene voortand kleurde geel. Daan kroop uit haar foetushouding en leunde tegen haar schouder. Het leek erop dat ze haar eigen gewicht kon dragen.
De terugweg was lang, ze doolden door straten met achter enkele ramen een schijnsel dat de route aangaf. ‘Elvis je mag het niet vertellen hoor, mijn vader heeft een hekel aan drugs.’
‘Wie kauwt er dan ook op een weedplant?’
‘Dat ging per ongeluk.’
‘Waarom kauw je op een plant?’
‘Je zegt het zelf, ik ben vast niet helemaal goed.’
Het zelfmedelijden trok de straat door. Ze sleepte haar vriendin het laatste stuk de stoeptegels over, als een peuter slofte ze naar haar voordeur. ‘Kun je me naar mijn slaapkamer helpen?’
‘Nee, je slaapt maar op de bank, ik ga naar huis.’
Elvis duwde de sleutel in het slot maar de deur ging als vanzelf open. Daar stond Daans vader, zijn navel piepte onder zijn geruite pyjamajasje vandaan. ‘Zo, waar komen wij nou helemaal vandaan?’
Haar vriendin ging rechtop staan, als een soldaat die zijn korporaal groet.
‘Daan heeft een verkeerde kippenpoot gegeten op het feestje van Daniel.’
‘Kip?’ Zijn navel hipte even op. ‘Welk feestje?’
Haar vriendin liep naar binnen en schudde druk met haar hoofd achter de ruitjesrug.
‘Een verjaardag, gewoon met kip en cola.’
‘Aha, zo’n verjaardag. Met slingers en ballonnen en de taart van tante To. Nou vooruit Elvis, ik vind het een mooi verhaal. Hebben jullie nog ergens een zakdoek gelegd en weer gevonden? Nee, hè, dat dacht ik al. Volgens mij hebben jullie er nog nooit een gezien, een echte, die van katoen. Nou, als jullie maar hebben genoten. En gelachen, want dat is belangrijk.’
Ze wilde nog iets zeggen maar de ruitenpyjama sloot de deur.
‘Raar burgerlijk mannetje,’ Elvis keek omhoog na geklop op een ruit. Daar stond haar vriendin. Ze opende het raam en trok haar hoofd naar links en haar mond scheef, de tong gleed langs haar mondhoek. Ze maakte een piepend en knorrend geluid, terwijl haar neus de lucht insnoof. Haar nagels krasten tegen het glas.
Elvis’ lach galmde de straat over. Niets was zaligmakender voor een cavia, dan terug te zijn in zijn eigen hok.

Foto door Oleg Magni op Pexels.com

Alles gaat voorbij

‘Het is een gevaarlijke gek, de politiek is beter af zonder hem.’ De rups steekt zijn kop boven de hoop uit. Haar vader gooit er een schep bovenop. ‘Als er eenmaal gerommel is in een partij is het feestje over. Die man verdient ruim negen duizend euro per maand, weet jij wel hoeveel gasten we daarvoor in ons restaurant moeten bedienen?’
Haar moeder veegt de tegels schoon, de gordijnen achter de ramen van de omgebouwde schuur, verbergen de leegte van het aanlendende restaurant.
De meetlat van haar vader wordt in het zand gelegd. ‘Die charlatan moet eens plaats maken voor het echte nieuws.’
De bezem gromt over de tegels, ‘honderdtachtig Bart.’
Hij krabbelt de afmeting op een servet. ‘Vier meter vijfenzeventig, groter kan ik het terras niet maken.’
Een tegel krijgt een plek in het zand.
‘Honderdtachtig gasten per maand, dat zijn er vijfenveertig per week. Dat aantal hebben we regelmatig over de vloer. Verdienen wij negenduizend euro per maand?’ De bezem wordt in de zandhoop gesmeten. ‘Als ik dat had geweten had ik mijn billen op het zand van de Malediven gedraaid, in plaats van ze hier achter een bezem te laten zweten.’
Met een plof wordt de volgende tegel neergelegd. ‘Ben jij vergeten dat we sinds februari verlies draaien? Weet jij wel hoeveel hypotheek er op dit huis rust, dat we voor die lui koken om uit de verbouwingskosten te komen? Op welke elektriciteitsrekening staan die pannen te dampen? Het meeste geld gaat op aan vaste lasten en de inkoop.’
‘Ik ken ook niemand die zoveel biologisch inkoopt.’
Elvis kent de uitdagende toon van haar moeder en loopt naar haar kamer. Ouders zijn ingewikkelde mensen, ze kibbelen om het salaris van een politicus terwijl ze zelf illegaal geld binnen harken. De feestjes tijdens de lock down, met kreeft achter gesloten gordijnen is hij blijkbaar vergeten.
Volgens haar vriendin Daan is overwaardering van geld de reden van ontevredenheid. Het heeft een kortstondige impact op ons geluk en werkt als een magneet op de geldstroom die stilligt. Dat maakt ons narrig. Als we hiervan worden verlost, weten we weer waar het eigenlijk om draait. De eenvoud, de natuur, de stilte in je kop. Misschien heeft ze gelijk.
Op Instagram staat haar vriendin met wc-papier over haar mond gespannen, ingekapseld als een mummie. ‘Corona is shit’.

Elvis weet dat het een bevlieging is, alles gaat volgens haar vader voorbij. Soms een geruststellende gedachte. Sinds het bedrijf van Daans vader niet meer goed loopt moeten ze het met minder geld doen. De tweede Golf ging de deur uit en de Mexican Cruise maakte plaats voor een vakantie met een grotere impact. Omdat ze te laat waren met boeken, belandden ze op een nudistencamping op Ameland.
Sindsdien heeft het gezin zich ontdaan van overdaad. Haar vader bevrijdde zich van zijn kleding die zijn vet verborg, haar moeder toonde haar strakgetrokken huid, schalks kijkend naar dochter Daan die veel ogen deed knipperen.
‘Het was de beste vakantie ooit.’ Daan plaatste haar mondkapje voorzichtig achter haar oren. ‘Puur natuur is niet duur’, stond er op de bananenschil geschreven. De elastiekjes hingen angstig achter Daans oren. ‘Weet je wel hoe lekker het is om in je nakie een avocado te eten? Gewoon een avocado?’
Elvis kon zich er niets bij voorstellen.

Daan vond het zoveel fijner dan al die vakanties ervoor, waar ze hele dagen op een schip naar de overkant tuurden en verlangden naar een ver gelegen eiland. Dit was tenminste een actieve vakantie, een survival. Overdag ving de familie haar eigen vis of ze knalden met carbid een konijn uit zijn hol.
Na de vakantie werd het naakte leven voortgezet. Daans vader is van mening dat een lichaam een omhulsel is van iets kostbaars, een tempel die aanbeden moet worden, waarom iets moois verbergen wat de aandacht verdient? Elvis had de voorzichtige omvang van zijn borsten bestudeerd. Ze leken te huilen op een verkeerde huid maar zaten nu eenmaal vast aan dat mannenlijf. Het was gênant bij Daan op bezoek te komen en haar ouders naakt op de leren bank te zien.
‘Het doet koud aan de billen, daarom zitten we op een kleedje.’ Alsof het kleedje haar blik deed verrassen.
Haar vriendin droeg sinds die vakantie minder merkkleding, ze hadden weinig om het lijf. Af en toe gaf Elvis haar een afdankertje, een te klein geworden shirt of een broek. Ze begreep pas later dat Daan zich verschool achter haar vakantieverhaal. Het was geen nieuw verworven inzicht, als wel een direct gevolg van de pandemie.

Door Jesses aanhoudende berichtjes verliest ze de race in haar game. ‘Kom je naar de garage van Charlie Post? Iedereen komt, neem bier mee.’ De feesten van het nieuwe normaal zijn best leuk, een beetje bij elkaar hangen op plekken die niet mogen. Ze neemt onder haar jas een truitje mee, stel je voor dat Daan in een halve blote bui is. Ze heeft weinig zin om tegen een naakt lichaam aan te praten.

Haar vader ligt uitgeblust op de bank. ‘Volgende keer schep je mee Elvis.’
Behoedzaam schikt haar moeder een kussen achter zijn rug.
‘Ik ga naar Charlie.’
‘Charlie Post? Ook weer zo’n charlatan, mooie praatjes maar wel fout.’
De rug van haar vader strekt zich. ‘Kijk je uit? Die jongen is in staat om het huis op te blazen. Vorig jaar deed hij hetzelfde met de speakers van zijn vader, een godsvermogen, die jongen zoekt het randje op.’
‘Het is allemaal maar materie pap.’
Ze krijgt tien euro in haar hand gestopt. ‘Ga maar lekker genieten Elvis. Voordat je het weet sta je net als je moeder hopen zand te scheppen in je tuin.’
Op het nieuws huilt de politicus. ‘Waarom heeft ‘ie geen zakdoek? Die man gaat stuk.’
‘Els sommige mensen verdienen geen zakdoek, we gaan allemaal stuk vroeg of laat.’
Elvis pakt een banaan mee.
‘Trouwens Elvis, jij moet heel blijven, dus als die Charlie Post carbid in een opening stopt waar het niet hoort, maak je je onmiddellijk uit de voeten.’
‘We gaan alleen maar een biertje drinken.’
‘Ja, dat ken ik, voordat je het weet staat het huis in de fik, rent iedereen elk een kant op, en valt de party uiteen.’
‘Carbid hoor je in geen een opening te stoppen.’
‘Die Post heeft geen melkbus op zijn oprijlaan staan, Els.’
Elvis stapt op de fiets, als ze door het raam kijkt stapt de politicus in zijn auto. De camera volgt de witte zakdoek die zijn chauffeur hem aanreikt. De Jaguar verdwijnt uit beeld, de witte zakdoek wappert uit het raam.

Puur

‘In de natuur is alles eerlijk, ontdaan van verdorvenheden of andere vermommingen, zoals bomen die zich anders voordoen en opeens weghollen omdat het opgejaagde dieren blijken te zijn die met uitsterven worden bedreigd. De natuur kent geen vermomming, een plant is een plant, een boom is een boom en een vogel vliegt. Die eenvoud, de eerlijkheid hebben wij collectief gewurgd. Mensen zijn bange wezens, we verschuilen ons achter een muur of trekken een façade op.’
Eleonora, de vriendin van haar moeder neemt een slok van haar brandnetelthee. Gewurgd? Wat een rare benadering. Eleonora zet met haar handen extra kracht bij.
Haar moeder kijkt in de spiegel. ‘Nou, wat je zegt Eel, ik weet vaak ook niet meer wie mijn eigen pure ik is.’
‘Dat weet niemand El, we zijn te ver verwijderd van ons eigen ik. De vraag is: ‘Durven we onszelf ooit te aanvaarden om wie we echt zijn?’
Elvis pakt een roze koek van de schaal. ‘Er zijn dieren die zich goed kunnen vermommen in de natuur hoor, bladeren hebben trouwens ook schutkleuren.’
‘He gets, dat is ook zo, de natuur is dus ook al een grote schertsvertoning.’
Eleonora plaatst haar designerbril iets rechter op haar neus. ‘Ik wil mezelf wel recht in de ogen kijken Elvis, ergens diep van binnen zie ik mezelf.’
Haar moeder schilt een avocado. ‘Jij bent nog zo puur Elvis, zo ontluikend als een Keizerskroon met zijn prachtige glanzende bladeren.’ Haar vette handen graaien door Elvis’ haar.
Zo puur vindt ze zichzelf niet meer. Seks, drugs & rock ‘roll, de vaste waardes die volgens haar vader haar naam bezegelen, heeft ze allang nageleefd. Al haar vrienden doen het, ze kan moeilijk achterblijven.


Ze was niet eens echt benieuwd naar een biertje. Haar vader deed er nooit moeilijk over. Alles wat hij verbood zou als een boemerang bij haar terugkeren. Dus mocht ze dat biertje, ze vond er niet veel aan, de spanning van een te veroveren schat ontbrak. Waar anderen zich stortten op een kratje, vond zij het na een paar bier wel weer genoeg.
Het eerste blowtje nam ze in het gras samen met haar vriend Travis, een tweede volgde, en een derde. Dat was niet volgens afspraak met haar vader, hij stond er namelijk op het samen met hem te doen. Ze wist niet zo goed of ze het hem zou vertellen, de hele middag spookte het door haar hoofd, totdat ze hem ’s avonds moest bellen. Haar benen wogen vijfhonderd kilo, hij moest haar optillen en in de auto schuiven. Ze dacht dat ze een saucijzenbroodje was en gilde voor de oven waar haar vader haar in schoof. Hij gaf haar een tik op de wang wat haar nog meer van streek maakte. De dag erna was ze nog steeds stoned, ze verknalde haar wiskundetoets door bij alle vijf vragen in te vullen: ‘Ik heb nooit wiskunde gehad op de saucijzenbroodjesschool.’ Haar gemiddelde cijfer daalde naar een vier.
Omdat haar vader niet gelooft in straffen, volgde er geen huisarrest of gameverbod. Wel negeerde hij haar een week lang. Het maakte haar ziek. Ze miste zijn stomme grapjes, hun eenstemmigheid. Ze was te ver gegaan, het voelde als verraad. Misschien had hij jarenlang uitgekeken naar dat moment van samen een haaltje van een jointje nemen, om haar te beschermen voor inhalig gedrag. Was hij er maar bij geweest, dan was het anders verlopen. Dan had ze niet zo hard aan die lange sigaret gezogen, zaten haar longen nog op z’n plek en was ze nog in staat geweest om te fietsen. In plaats daarvan voer ze gesprekken met bomen, namen de wolken haar op en zweefde ze met gesloten ogen boven het gras, zomaar op een woensdagmiddag.
Samen met Travis maakte ze haar entree in een gekmakende fantasiewereld. Toen ze door kabouters in smoking met bolhoeden op achterna werd gezeten, wilde ze eruit stappen. De trein gierde door, het maakte haar kwetsbaar en slap. Travis kon haar kneden naar elke vorm, wat hij ook deed. Hij begon zacht, als een trage zoen trokken de uren voorbij daar in zijn armen in het gras, de knappe Travis uit het examenjaar was haar kussen. Ze werden van de aarde los gezogen en zagen hun docenten schuilen in de wolken. Travis was ruw geweest, te sterk voor haar slappe lijf. Ze liet het gebeuren en was in staat geweest de schaamte weg te stoppen en het niet meer terug te laten keren in haar lijf, op haar netvlies.
In de week van zijn stille oorlog zag haar vader dat ze leed, haar moeder kwam met kopjes thee aan maar jammerde een week lang over haar een voor wiskunde. Ze was niet te spreken over haar beschamende gedrag en dreigde met het inperken van haar vrijheid. Toch volgde ze de blik van haar vader op en liet het bij dat ene dreigement. Haar moeder was ‘the good cop’, haar vader was the bad one. Hij gijzelde haar in zijn zwijgzaamheid. Een week later riep hij haar naam op vlakke toon. Ze had moeten vechten om hem weer terug te winnen.

Zo snel is puurheid verloren, in vergankelijkheid is het zijn diepte kwijtgeraakt. ‘Mam, je weet dat ik niet meer puur ben.’
‘Wat bedoel je nou? Je bent tot in de essentie van goud.’ Het diamantje duwt ze voorzichtig in haar oorlel. ‘Ach, joh, doel jij nou op dat ene keertje, dat blowtje?’
‘Ach, wat zoet.’ Ellendige Eleonare glimlacht haar wit gebleekte tanden bloot. ‘Elvis, wij zijn verpest door afgebrokkelde stenen, aangetast cement. Door de jaren heen hebben wij muren opgetrokken en andere weer afgebroken.’
‘Zoiets als de naoorlogse wederopbouw waar we nooit aan zijn toegekomen.’ Haar moeder lacht, Eleonore schaterlacht mee.
‘Met wie waren jullie dan in oorlog?’
‘Met onszelf natuurlijk, altijd met onszelf.’
‘Wat een eenzame strijd moet dat zijn.’
‘Een gevecht in solitude Elvis, laat jou dat niet gebeuren.’ Eleonore schenkt een beetje rum in haar thee.
‘Precies, als je dan toch per se strijd wil, dan altijd in gevecht met een ander gaan.’ Ook in de thee van haar moeder verspreidt de rum zich. ‘Jij mag ook wel een beetje hoor Elvis, tenminste als je moeder het goed vindt.’
‘Ik drink hem het liefst in pure vorm.’
Haar moeder gooit haar theekop leeg in de gootsteen. ‘Ik ook eigenlijk, dat is toch de allerfijnste smaak, het houdt ons ook nog eens in balans. Let maar op Eel, moeten we je straks weer naar huis rijden.’
‘Welnee, ik blijf lekker op de bank slapen, wat kan mij het allemaal schelen, ik heb al genoeg geleden en gestreden in eenzaamheid. Ik heb recht op gezelschap. Toch, El?’

Donald en Joe

‘Donald en Joe zaten op de wip, Joe was blij, Donald keek wat sip.’
Hoe vaak moet ze nog naar die stomme grappen van haar vader luisteren?
‘Elvis, dit moment zul je je altijd herinneren. De dag dat Trump plaats moet maken voor een nieuwe, betere president.’
‘Wie zegt nou dat Biden beter is? Het zijn twee oude mannen waar alle fut uit is.’
Hij stopt met het veteren van zijn sneakers. ‘Die Biden heeft toch een jonge uitstraling? Moet je kijken hoe stevig hij in zijn schoenen staat.’
‘Hij loopt tegen de tachtig, over twee jaar schiet hij in zijn scootmobiel door het Witte Huis. Waarom schuiven ze geen jonge kandidaat naar voren, een Kodi Smit bijvoorbeeld.’
‘Wie?’
‘Die acteur van X-men.’
‘Ja zeg Elvis, ik kijk ook liever naar een Scarlett Johansson of een Angelina Jolie maar niet alle acteurs kunnen zomaar president worden.’
‘Wel hoor, kijk maar naar Reagan en Trump.’
‘Trump is toch geen acteur?’
‘Wel hoor, hij heeft zelfs in ‘Home alone’ gespeeld en in andere films maar altijd als zichzelf.’
‘Dan telt het niet.’
Dit is nou weer zo’n opmerking die ze niet begrijpt maar beter kan negeren, voordat ze in een discussie belandt die nergens toe leidt.
Haar vader gaat er eens goed voor zitten. Hij gooit zijn benen languit, het flesje bier zet hij stevig aan zijn lippen. ‘Trouwens, wij hebben Kamala Harris.’
Hij slaat zich op de borst alsof hij haar zelf heeft gecreëerd.
‘Wie is wij?’
‘Wij, het mannelijke deel van de wereldbevolking. Die vrouw is toch een geweldige verschijning. Over een paar jaar neemt zij in een prachtig jurkje het stokje over, daar kan ik nu al naar uitkijken.’

Haar moeder komt met tassen boodschappen binnen, de broccoli bovenop luidt weer een soepdag in. Elvis haat soepdagen, prei, broccoli, pompoen, zelfs van sperziebonen of bieten pureert haar moeder soep, maar altijd zonder ballen. ‘Ballen zijn voor bakkers, boswachters, boeren en brandweermannen, die hebben ze nodig voor het harde werken. Wij werken niet hard, wij ademen slechts.’ Haar ouders zijn eigenaardige wezens die ze soms niet kan volgen. Vroeger ging ze er tegenin maar ze weet inmiddels dat dingen voorbij gaan, ook deze opmerking is het niet waard om de diepte in te gaan.
De tas wordt zorgvuldig uitgepakt, ‘Over wie hadden jullie het?’
Haar vader neemt een flinke slok van zijn bier en kijkt Elvis aan. Als hij denkt zich achter haar te verschuilen, heeft hij het mis. Ze bladert door haar telefoon en negeert zijn vragende blik.
‘Over wie hadden jullie het nou?’
‘Over Trump,’ schielijk kijkt hij haar aan.
De wenkbrauwen van haar moeder maken een rare beweging. ‘Maar ik hoor je net zeggen: “Daar kan ik nu al naar uitkijken.”‘
‘Ja, ik kan uitkijken naar het moment dat die man eindelijk iets anders gaat doen in plaats van zijn land naar de afgrond te helpen en de wereld mee te nemen in zijn geestelijke wanordelijke staat van zijn.’ Haar vader geeft Elvis een knipoog.
Zo eenvoudig komt hij er niet vanaf, dat zou wat moois zijn. ‘Wat vind jij eigenlijk van die vice-president?’
Hij gaat rechtop zitten en slaat zijn benen over elkaar, ‘Wie, ik?’
Elvis kijkt hem uitdagend aan.
‘Mwah, niks bijzonders, ze doet mooie beloftes maar ik weet niet of ze het echt meent.’
Bruusk gooit haar moeder een zak wortelen op grond. ‘Wat bedoel jij nou, Bart Hammers? Niks bijzonders? Die vrouw is de allereerste vrouwelijke vicepresident in de Amerikaanse geschiedenis, bovendien is ze zwart, met ook nog eens een behoorlijke staat van dienst.’
‘Mag je dat wel zo zeggen, zwart?’
Haar moeder kleurt rood. ‘Dat moet je zeggen Elvis, tegenwoordig is het zwart en wit. Blank mag niet meer, ons koloniale verleden doet ons de das om wat dat betreft. Maar ik ben nu even met je vader bezig.’
Haar vader richt zich weer op zijn veters. Een pak koffie uit de tas wordt op het aanrecht gegooid. ‘Hoe kun jij nou aan haar twijfelen? Jij hebt soms zo’n ouderwets gedachtegoed. Jullie mannen willen de wereld beheersen en het eigenlijk bij het oude laten. Stiekem verlangen jullie allemaal naar de tijd van voor Aletta Jacobs. Wij vrouwen moeten ons altijd onderdrukt voelen. Weet jij wel hoeveel strijd wij moeten leveren, elke dag weer om gezien en gehoord te worden, hoe vaak horen wij gefluit alsof we een circushondje zijn, hoe vaak worden we uitgekleed door gretige ogen? Viezeriken zijn jullie, allemaal. Jullie jagen erop los met dat seksuele dier tussen de benen maar wij laten ons niet koeioneren, hoor je me? Ik heb diep, diep respect voor die vrouw. Diep, diep respect. Want die krijgt het niet gemakkelijk hoor, ze gaan haar natuurlijk dwarsbomen, haar hele doopceel lichten.’
De wortelen worden kreunend van de grond geraapt. ‘En ze is ook nog eens een plaatje om te zien, of zie jij dat ook anders?’
Haar vader tikt op zijn flesje. ‘Nee, natuurlijk vind ik dat ook.’
‘Als ik het niet dacht, stelletje seksistische dieren zijn jullie. Mannen reageren altijd zo instinctief, jullie zijn gewoon niet verder gekomen dan de oertijd. Wat zeg ik je, we moeten nog verder terug lang voordat de aarde zijn vorm vond. Jullie komen rechtstreeks uit een zwart gat.’
Ze loopt met de wortelen op Elvis af. ‘Ik vertel het je nog wel een keer Elvis, over Aletta Jacobs, jij moet ook weten hoe de vork in de steel zit. Wij vrouwen komen van ver, we hebben moeten strijden voor jouw en mijn onafhankelijke status in de samenleving.’

Ze slaat zusterlijk een arm om haar heen en houdt haar stevig vast. ‘Wees een Kamala, nooit een Joe. Zij mag natuurlijk al het werk doen, terwijl hij met de eer strijkt. Maar ze is natuurlijk niet gek, ze kan lekker oefenen voordat zij zich kandidaat stelt.’
Ze bijt hard in een bospeen. ‘Stel je voor, de eerste vrouwelijke en zwarte president van Amerika. Dat wordt wat. Wat een mijlpaal. Wat een grensoverschrijdende doorbraak zal dat zijn, de wereld die op z’n kop wordt gezet door twee vrouwenhanden. Daar kan ik nu al naar uitkijken.’

Foto door Andrew Neel op Pexels.com

How dare you

De speech splitst de klas in drieën, een deel haat haar, een derde omarmt de klimaatactiviste en er is altijd een deel dat geen mening heeft. Greta Thunberg maakt de tongen los tijdens de les maatschappijwetenschappen. Stegemans draagt sneakers, hij loopt op springkussentjes. Waarom willen mannen van boven de vijftig toch altijd jong lijken? Haar vader probeert zich ook bij haar leeftijd aan te sluiten, terwijl hij een veertiger is. Als hij vrienden van haar ontmoet, gaat hij spiegelen. Dan staat hij net als Daan met zijn armen over elkaar, en wiebelt hij van de ene op de andere voet. Ook lacht hij om grappen die niet zo bedoeld zijn en gebruikt hij taal die niet bij hem past, ‘cool, cool, cool.’

Vrouwen willen ook jong blijven, alle vriendinnen van haar moeder zijn overharige meisjes van twaalf. Ze gooien hun haren over de schouders en giebelen in hun veel te strakke broeken. Haar moeder is de meest normale van het stel, die kan nog weleens in een jumpsuit en een veel te lange trui op de bank hangen, ‘Ouder worden is niet leuk hoor Elvis.’ Volgens haar moeder is het een etterende puist vol vrouwenellende. Zweetlakens, dito oksels, huilbuien, lachbuien, depressies, rimpels, hangborsten, haaruitval, urineverlies, en grijs haar. Ze weet van Daans moeder dat vaginale droogheid er ook bijhoort. Dat had ze liever niet geweten en al helemaal niet hoe al die vrouwen dat oplossen. Greta Thunberg is een jaar ouder dan Elvis maar ook zij zal al last hebben van vaginale droogheid. Hoe kan ze anders zo ongelukkig kijken terwijl ze ruim elf miljoen fans heeft, die door haar inzet tot inzicht zijn gekomen? Elvis wil niet bij die groep horen. Ze wil best nadenken over het klimaat maar niet omdat die heks dat bij haar zou losmaken.

‘En Elvis, wat vind jij van Greta’s speech?’ Stegemans huppelt op zijn sneakers langs. De schoenen piepen op het marmoleum. ‘Ik vind het een vervelend kind.’ De sneakers huppelen naar haar tafel. ‘Zo, hiermee ga je direct de persoonlijke aanval in.’ ‘Ik kan niet naar haar kijken. Die speech is doorweekt van emotie, ik vind haar manipulatief en eng.’ Stegemans vraagt of meerderen er zo overdenken. Het derde deel zonder mening steekt de hand op. ‘Ze is evil,’ de stille Joachim zegt ook eens iets. Elvis ontdekt voor even het GGT-gevoel, zo moet de Grote Greta Thunberg zich voelen. Mensen durven zich uit te spreken door haar eenmansacties, ze geeft Joachim een blik van waardering.

Stegemans laat nog een stukje zien uit haar befaamde speech. Greta is boos: ‘You have stolen my dreams and my childhood with your empty words, how dare you.’ Wat een agressie heeft dat kind. Stegemans zet het filmpje stil. ‘Ik begrijp wat je bedoelt Elvis, maar ze heeft zichzelf niet gemaakt. Als het nou een knappe jongen was, zou je er dan anders naar kijken?’ ‘Natuurlijk. Haar woede irriteert mij, het werkt averechts. Alleen door haar te dwarsbomen heb ik de behoefte vanavond mijn batterijen door de wc te spoelen.’ Stille Joachim knikt instemmend. ‘Probeer haar expressie te negeren en luister alleen naar de inhoud van haar boodschap. Wat zegt ze precies? En hoe wil jij het tij keren? Dat is jullie huiswerk, maak de opdracht in powerpoint.’ Triomfantelijk chillen de sneakers weg.

Die zaterdag luistert ze met gesloten ogen naar de woorden van Greta, ‘This is all wrong. I shouldn’t be up here. I should be back in school on the other side of the ocean.’ Daar begint het al. Niemand trekt Greta onder dwang haar huis uit om haar klimaatobsessie aan de wereld te verkondigen. Elvis gelooft niet dat Greta liever op school zit, ze zeilt heerlijk de wereld over om haar jankpraatjes te houden. Het ene hotel in, het andere uit, volgestopt met ecologische producten die ze tot de nacht bewaart. Zodra ze in haar hotelkamer is, laat ze zich gaan. Dan vreet ze zich vol, smakt en boert en springt op bed voor de Maandans. Ze gooit haar staart los om wild te twerken op het getik van de regen die tegen de ramen spettert. Naakt gooit ze zich op bed waar een gigolo met baard en geitensokken op haar wacht. Snel doet hij een blinddoek voor, ‘om de spanning te verhogen‘, zo lispelt hij in haar oren. Hij houdt zijn bamboe-onderbroek aan uit angst voor de klauwen van Greta. Bang om te horen ‘How dare you!’, mocht hij te snel zijn orgasme bereiken, doet hij de blinddoek af. Greta schrikt van het licht en verandert in een Gretawolf. Haar tanden zetten zich in zijn nek, ze bijten door als een ware activiste die niet van loslaten weet. Ze huilt en lacht en schreeuwt: ‘This is all wrong. I should not be here.’ De gigolo probeert weg te komen, hij duwt haar van zich af maar Greta houdt vast als ze beet heeft. Ze spuwt vuur en ontdekt zijn onderbroek van bamboe. ‘These shitty underpants are made in China, they came here by plane! Are you kidding me?’ Ze gooit de man in zijn onderbroek de gang op en smijt de deur dicht. Greta beseft dat ze de wereld niet alleen kan redden. En die elf miljoen fans, zullen zij haar blijven volgen? Wat moet ze doen om de woede van de mens vast te houden, hun geestdrift te voeden? De mens is verpest door zijn verwende gedrag, zijn nalatigheid, de laksheid van de leiders heeft zijn weerslag op de wereld.

Greta zit alleen op haar hotelbed, ze verlangt naar rust, ze wil terug naar school, ze mist de geur van het broodje hamburger uit de kantine, de armen van haar moeder. Ze wil weer kind zijn en onbedaarlijk jammeren om een dode vogel in de tuin. Ze wil niet meer haar tranen bedwingen voor al die camera’s die haar boze blik willen vangen. Maar het is geen blik van woede, het is een blik van angst. Angst om groot te worden in een wereld die ten onder gaat. Angst voor vogels die dood uit de lucht vallen, angst voor vissen op het droge, angst voor de dag die niet meer terugkeert. Ze is bang dat het nooit meer licht wordt, bang voor de uitstervende dieren in het oerwoud, bang dat de mensheid de wereld afmaakt, Bang dat er niets meer is. Bang dat mensen haar niet aardig vinden, bang dat ze niet begrepen wordt. Bang dat mensen haar een trut, wijsneuzerig en arrogant vinden. ‘How dare you.’ Ze trekt haar pyjama aan en kruipt onder het smetteloos witte dekbed. Overduidelijk op negentig graden gedraaid, dit is zo schadelijk voor het milieu. ‘This is all wrong.’ Ze huilt zichzelf in slaap, als een bange babywolf. ‘I shouldn’t be up here. I want to go home.’

Foto door Markus Spiske op Pexels.com

De intimiteit van het geluid

Zonder regen zou het een saaie boel zijn. Elvis trapt door het diepste punt van een plas. Een vrouw met een natte hond heft met open mond haar wandelstok omhoog. Elvis hoort het niet. De regendruppels kletteren op haar capuchon, ze is samen met de regen. Niemand kan dit verbond verbreken, de intimiteit van het geluid geeft een direct verwantschap weer.
Haar wiel scherend door de plassen klinkt bevrijdend en open, alsof het na lang weerzien feestelijk wordt onthaald. Niet zoals de druppels op haar capuchon, die klinken dof, ze sluiten haar af van de rest van de wereld. Met niemand deelt ze haar geluidservaring. Als zij aan haar moeder vertelt een lijntje te hebben met regendruppels, ligt ze een dag later op de bank bij een psychiater. Daarom zwijgt ze over dingen die er echt toe doen.
Bij de Taartkamer staat ze stil terwijl ze voor het stoplicht wacht. De beslagen ruit verbergt de baksels, ze vangt nog net een glimp op van de eigenaar. Hij likt zijn vingers af en stopt ze in zijn oren. Een kind rent gillend naar buiten, de krentenbol in haar hand regent nat.
‘Rijd door trut!’ Een jongen steekt zijn middelvinger op, Elvis zwaait terug en fietst verder. Zolang ze opgeborgen zit in haar eigen wereld kan het haar niets schelen. Ze wordt overladen door regendruppels, een leger terroriseert haar, het marcheert haar capuchon over.


Ze ontdekte de geluidswereld op haar tiende. Het verbrak de eenzame uren als haar ouders aan het werk waren in hun keuken, in de aangrenzende omgebouwde restaurantschuur naast het huis. Tijdens het tekenen viel het geluid van de potloodpunt samen met het papier dat ze inkleurde. Als een symfonie gaf het de tonen weer, de tekening kreeg vorm. Daar zat ze, samen met het geluid aan tafel. Ze voelde zich niet langer alleen, het hielp haar om zich te concentreren op dat wat van belang was. Het creëren van iets nieuws bleek zoveel meer waardevol dan de leegte van het huis. Pas toen ze durfde te luisteren naar de stilte bleek hoe gevuld die was. De verwarming sloeg aan, de waterkoker bubbelde en het gezoem van de ijskast was troostend, het ging nooit weg. Sindsdien gaf ze alles een eigen leven. Het druppelen van de kraan, de aanraking van haar toetsenbord waren een met haar. Ze omsloten haar in hun vertrouwelijkheid. Op die middag leerde ze alleen te zijn.

Ze wist dat het geen zin had haar ontdekking met haar ouders te delen, ze zouden het niet begrijpen. Ze had willen vragen of zij die ervaring ook hadden maar haar ouders stelden meestal een loze vraag terug. ‘Elvis, kun je ook een keer iets aannemen zonder een vraag erover te stellen?’ Ze vermoedde dat ze vaak het antwoord niet wisten. Liever zocht ze het op dan in twee paniekerige ogen te kijken. Ze wist nu dat Neanderthalers nette gasten waren. Met grote regelmaat verschoonden ze hun bed en vervingen het met vers gras. Het oude grasbed werd in de kachel gestookt. Dat vond ze briljant, ze waren er snel bij met recyclen. Elvis vroeg waarom ze niet op dierenhuiden hadden gelegen, dat was toch veel warmer dan gras. ‘Kind’, kom nou eens met een normale vraag!’

‘Dit is toch een normale vraag?’ Haar moeders wangen gloeiden, haar ogen draaiden naar het plafond. ‘Nee, Elvis, dit is een rare vraag, hoor je me? Een hele absurde en ongewone vraag. Wat interesseert het een kind van jouw leeftijd nou hoe die primitievelingen zich voortplantten?’ Dat was een raar bruggetje. Elvis had het woord voortplanten niet in haar mond gehad. Ze had het wél meteen opgezocht. Neanderthalers deden het ruw en vooral met elkaar binnen de eigen familie. Ze waren dierlijk, ze gromden en beten zich vast in de huid van hun familielid.

Na de uitbarsting stelde ze alleen vragen die binnen haar moeders voorstellingsvermogen lagen. ‘Hoelaat eten we?’, of ‘is mijn fiets al gemaakt?’ Haar moeders afkeer vertelde iets over haar tekortkoming. De wereld hield ze klein, ondergedompeld in het geluid van onwetendheid. Gehaast gooit ze haar fiets tegen de muur. ‘Elvis, kom snel binnen, die rotregen ook.’

‘Ik vind het niet erg hoor, ik groei door de regen.’ Haar moeder legt haar jas te drogen over een stoel. ‘Ben jij nou ineens een plant geworden?’ Wat doet ze op haar yogamat als ze zo kortzichtig in het leven staat? ‘Ik weet wat je bedoelt hoor Elvis, toch houd ik meer van de zon. Je groeit mij al hard genoeg. Van mij hoeven jouw lokken niet tot de hemel te reiken. Je gaat zo hard de laatste tijd, ik zou je willen afremmen maar daar wordt helemaal niemand blij van.’ Gehaast loopt haar moeder weg, naar buiten, naar de keuken, naar de wc. Eigenlijk is ze altijd onderweg. Zat ze maar eens rustig in een stoel, ouders lijken altijd haast te hebben. Misschien komt het met de jaren, het besef van verloren tijd. Dat gaat haar niet gebeuren, zij investeert in nuttige dingen. Niemand weet hoeveel tijd er over is.

Ze opent haar computer. Als ze over de wegen in Los Angeles scheurt, slipt ze de bocht door. Dat gaat maar net goed, voordat ze het weet verongelukt ze op de digitale snelweg. Zo snel kan het gaan. De banden schuren vonken over de wegen. Ze draait aan de volumeknop van de autoradio, niets is mooier dan opgetild te worden door een geluidsopname. Hard trapt ze het gaspedaal in, gooit haar stuur naar rechts en rijdt zich te pletter tegen een boom. Sommige geluiden kun je niet in het echte leven ervaren. Dit is er een van. Pats boem. Wat een geweldig geluid was dat. Hard en definitief. ‘Elvis! Zet die herrie zachter, het lijkt verdikkeme wel een kermis hier.’ De lippen van haar moeder bewegen maar Elvis is onbereikbaar. Ze heeft alweer een nieuw leven bemachtigd, de digitale wereld is onsterfelijk. Haar banden vreten de wegen op, de motor neemt haar mee in zijn geronk, ze zweeft en lijkt zelfs voor even los van de aarde te raken. De energie van het geluid tilt haar op, zelfs met twee levens is er geen tijd te verliezen. Ze scheurt de Nevadawoestijn in, haar moeder loopt de kamer uit, haar handen tegen de oren gedrukt.

Foto door Sourav Mishra op Pexels.com