De nachtrit

De banden zoeven over het fietspad. Het asfalt maakt een vertrouwd geluid, de stilte is waarneembaar. In het begin van de fietsrit wordt er uitbundig gesproken, over de meest spraakmakende momenten van die avond. Zo vertelde Rik over het lot van zijn oudere broer die vijf jaar geleden door de bliksem van zijn fiets werd geblazen en drie dagen later in een berm in België werd gevonden, net over de grens van Frankrijk.
De gendarmerie stond voor een raadsel, de typische Lichtenbergpatronen sierden zijn borst, een bundeling bliksemschichten in het lichaam gebrand. Het litteken werd nauwkeurig onderzocht. De Franse politie eiste het lichaam op, de inslag had immers in Frankrijk plaatsgevonden op het moment dat de zon scheen in België, toch deed een Belg de autopsie, ‘al was hij op het moment elders, in ons schone land, was zijn lichaam intact gebleven.’ De Belg vond het een brute moord van de Franse natuur.
Op vakantie let je niet op het weer, je kijkt naar de blauwe lucht en de dag rolt voorbij. Ook nu Elvis op haar eerste vakantiedag in het donker rijdt, denkt ze aan niets. Tijdens de vakantie ben je onverwoestbaar, je springt in het diepe en viert het leven dat je lachend tegemoet komt.
Ze slingert en tikt af en toe de voorband van Jesse aan, maar natuurlijk komt zij niet ten val. Ongeluk is voor anderen, die rijden met een dronken kop de sloot in, reflexen blijven uit en het leven glijdt voorbij.
‘Wat een nare gedachten Elvis, houd ze maar liever voor je.’
Ze heeft niet gemerkt dat ze hardop nadenkt, misschien had ze toch dat laatste biertje moeten laten staan.
‘Ik wist niet dat jij een zusje had,’ Jesse zigzagt over de weg.
Mensen luisteren niet goed.
‘Mijn zusje is nooit geboren maar ik koester haar aanwezigheid. Ik heb altijd naar een ander en normaal gezinslid verlangd.’
Als enig kind is ze nieuwsgierig naar het leven dat er niet is. Het zou een verschil maken, een zusje of broertje erbij biedt reflectie, leidt af en maakt het leven vast lichter. Er valt weinig te lachen met ouders, ze begrijpen soms haar humor niet. Vaak voelt ze zich onbegrepen, het zou haar verlichten te weten niet de enige te zijn van een gezin.
‘O, maar dan moet je eens op je ouders letten. Die voelen ook vaak onbegrip, alleen steken ze daar een sigaret voor op, of ze slaan een gat in de wand op de squashbaan.’
Jesses ogen geven lichtjes in de nacht. Haar vader gooit nog eens een houtblok op het vuur als niemand hoogte van hem krijgt, verongelijkt jengelt hij dan een lied op zijn gitaar. Een keer slaat hij het ding stuk tot er niets meer van over is, de snaren verhangen een paar peren in de boom. De volgende dag ziet het tafereel eruit als een filmscène en is het wachten op de antiheld die zijn rentree maakt. Er moet veel onmacht in hem schuilen maar ze ziet zijn tragiek liever dan haar moeder die zich opsluit en naar oceaangeluiden luistert op haar yogamat.
Jaren fantaseert ze over een jongere zus die ze meeneemt achter op de fiets, ’s avonds aan tafel schopt ze tegen de benen van de lege stoel naast haar. Als haar moeder de kale poten ontdekt wordt de stoel naar zolder versleept. Het kan eenzaam zijn om met mensen te wonen die een ander leven leiden en je vertellen dat het allemaal wel meevalt.
Die zeggen dat zeer als vanzelf oplost, dat de dingen voorbij gaan en overgaan in iets anders, dat pijn slijt en je niet zwaar op de hand moet zijn, hartzeer poëzie is en je moet relativeren en de humor ervan moet inzien. Soms ziet ze haar ouders als paarden met oogkleppen op, die achter elkaar aan lopen en tegen een gesloten hek aan trappelen.

De stilte schakelt haar gedachtes uit, ze kijkt naar de lucht en ziet het sterrenbeeld.
‘Laten we even stoppen.’
‘Hier, midden op het fietspad? Laten we dan de Koningsweg af fietsen, aan het eind van de Julianaweg staat een bankje.’
Elvis heeft geen zin om op een bankje te kijken naar de Poolster, misschien heeft Jesse ook wel zijn thermoskan mee en een kleedje om op te zitten. Jesse fietst het donkere pad af. Waarom moet alles zo georganiseerd zijn?
Ze krijgt een stijve nek als ze de Poolster volgt, bovendien wil ze niet tegen een boom of lantaarnpaal opfietsen.
Ze stopt en kijkt naar boven. Ze zoeken het allemaal maar uit, al die mensen die het beter weten en het zo goed met haar voor hebben. Ze wil even tot besef komen dat ze deel uitmaakt van een groter plan, maar wil ze weten wat dat inhoudt? Wat ze kan verwachten, wat redelijk is? Ze vraagt niet om houvast, ze wil nog zoveel ontdekken wat niet tastbaar is.
Fietsbanden naderen, zijn licht geeft een diffuus schijnsel. Jesse legt zijn fiets in het gras, pakt die van haar over en legt hem ernaast.
‘Kom, we gaan liggen, liggen in het gras.’
Het voelt klam aan maar als ze naar boven kijkt, voelt ze de kou niet. Ze kruipt tegen hem aan. Zijn linkerarm omklemt haar, ze voelt zijn lippen tegen haar achterhoofd gedrukt. Zo’n kus die haar moeder geeft als ze blij is, als iedereen tevreden is en zich begrepen voelt, als de harmonie overheerst.
‘Kijk, de Poolster.’
Ze wijst naar boven. Snel trekt ze haar arm terug, waar anders moet een ster zich begeven?
‘Ik zie hem niet.’
‘Kijk daar, de meest heldere van het hele stel, hij springt eruit.’
‘O die. Ik wist niet dat je er verstand van had, je verbaast mij telkens weer.’
‘Ik weet alles van sterrenstelsels en de Melkweg, het is het meest fascinerende onderdeel van het leven, zonder hen weten we niet hoe onnozel en onmachtig we zijn. We denken de wijsheid te hebben, alle kennis is verwaarloosbaar als we weten hoe miezerig we zijn in vergelijking met wat zich daar aan de hemel afspeelt.’
Jesse houdt haar steviger vast, zijn greep ontneemt haar de adem. Hij moet van haar houden, op zijn minst waarderen dat hij niet op een bankje op de Julianaweg zit. Zijn koude billen houden hem wakker, hij zal deze nacht niet meer vergeten. Dat vertelt zijn lichaam haar, dicht tegen de hare aan. Een tweede kus op haar haren volgt, hij geniet net zoveel van dit moment als zij. Ze zou hem willen kussen, hard op zijn lippen die hij voorzichtig van elkaar zou halen.
Ze doet het niet, het zou de magie weghalen. Dit verlangen, om een te zijn met het universum is sterker en houdt hen in de greep. Kussen kan altijd nog maar kijken naar de Poolster op een nacht, liggend in het gras beschermd door sterke armen, komt nooit meer terug. Niet op deze manier, zo mooi en eerlijk, zo oprecht betrokken, zo samen.


Ze dankt het universum voor haar leven, voor de intensiteit van deze nacht, en ze dankt Jesses ouders dat ze zo’n geweldig schepsel hebben gecreëerd om als onderdeel van het grotere geheel, samen met haar te laten zijn.
Een leger aan sterren beschermt haar, met hem erbij. Laat deze nacht nooit voorbij gaan, laat het voortduren, laat het stilstaan. Laat het blijven zoals het is.
‘Zag je dat? Er viel er een.’
Ze volgt de ster, ze ruikt zijn jas, hij ruikt een beetje verbrand. Hij moet gevallen zijn, zo vlak naast haar. Ze kruipt weg in die grote sterke armen en is even het zusje dat zij altijd heeft gemist. Klein en kwetsbaar, onschuldig en onaantastbaar. Beter wordt het niet.





Foto door Min An op Pexels.com

De stem

‘Hij is er altijd, een trouwe metgezel, zo een die verwoordt wat jij wilt zeggen, de emotie toont die op dat moment nodig is. Soms glijdt de Stem weg en ligt hij gestrekt in een stoel, in diepe slaap of is er een moment van stilte als er even niets hoeft. Het is eenzaam aan de top. Zijn omgeving, een welving van dalen en hoogtepunten heeft respect voor hem. Hij krijgt altijd voorrang en neemt de voornaamste plaats in, diep tegen het hart aan. Niet dat hij dit altijd waardeert, het hart heeft nu eenmaal een onberekenbaar karakter maar zo dicht tegen hem aangekleefd, vertaalt hij precies wat hij ingefluisterd krijgt.
Hij houdt van het ritme, de Stem legt klanken uit, geeft de persoonlijkheid van zijn gastheer weer, maakt vertaalslagen en lispelt wanneer dat nodig is. Hij geniet ervan om het uit te schreeuwen, naar buiten te zoeven en met zijn volume een zonnestraal op te pikken, ketsend tegen het gehemelte aan. Zijn gastheer maakt hier zelden gebruik van. Af en toe juicht hij tijdens een doelpunt van een belangrijke voetbalwedstrijd of een opwindend moment, een zegeviering. De Stem heeft het goed in zijn woning.
Dit leven bevalt hem, maar sinds een paar weken is er iets veranderd. Een vakantie lijkt aangebroken, vrij onverwachts. Meestal weet hij waar hij naartoe gaat, lacht een zonnig land hem toe waar hij drankjes en maaltijden in vreemde talen bestelt, klanken vormt die hij nog nooit heeft ervaren. Toch is het anders nu, er wordt geen beroep op hem gedaan, dagen gaan voorbij hangend in zijn ligstoel. Af en toe zet hij de wekker om te voorkomen dat hij voorgoed in slaap valt, dat zou zonde zijn, er is nog zoveel om voor te leven.
Bij navraag wordt hij niet veel wijzer, het hart is er ook van slag van. Hij kan geen hoogte krijgen van zijn omgeving, een geheim drukt zijn adem en het gevoel van vrijheid weg.
Als dit een nieuwe fase is, dient hij protest aan. Hij balt zijn vuisten en slaat tegen de poorten van het strottenhoofd. Heel soms ziet hij daglicht maar al snel valt hij terug in zijn donkere kamer. Hij wordt vast op de proef gesteld en mag misschien pas naar buiten als hij zich goed gedraagt. Er moet meer aan de hand zijn, zijn gastheer ligt vast in scheiding waardoor hij zijn klankbord mist, woorden ontbreken hem om een daad te bekrachtigen.
De Stem zal zich moeten overgeven en deze eenzaamheid zien te doorstaan, ademhalingsoefeningen toepassen om de kalmte te bewaren, op de ingelaste pauzeadem van zijn gastheer vertrouwen. Hopen dat hij zich weer mag uitspreken, laten zien wat hij waard is, de lucht aantippen, klagen, zijn uitingen van jubeltonen delen met wie hem lief is.’

Van Domselaar maakt een stopbeweging met haar hand.
‘Elvis, even tot hier. Ik kan je verhaal redelijk volgen alhoewel het een abstracte vorm betreft. Zit hier een boodschap in?’
Elvis heeft moeite met invallers, ze zijn wijsneuzerig en belerend. De schrijfopdracht ‘Geef leven aan het onmogelijke’, is vrij in te vullen. Haar vader kwam met ideeën om haar maatschappelijke betrokkenheid te laten zien, ‘het vergeten communisme’, ‘het doden van pasgeboren haantjes’ ‘de nieuwe stem van de democratie’. Zijn laatste voorstel bracht haar op het idee om vorm aan de stem zelf te geven, haar vader hielp haar en zo kreeg haar betoog vorm.
‘De poot van die opklaptafel uit die caravan uit Joost zijn verhaal, heeft die een boodschap?’
Van Domselaar kijkt Joost vragend aan.
‘Dat is aan de lezer, volgens mij zit er in elk verhaal een boodschap.’ Joost scrollt verder op zijn iPhone.
‘Nou Elvis lees maar door, ik vond het wat verontrustend klinken.’
Elvis neemt plaats achter haar tafel.
‘Nee, dat gaat nu niet meer, ik kan toch onmogelijk zomaar verder lezen middenin mijn afgebroken verhaal? Op die manier kan niemand het meer volgen. Eigenlijk is dit een vorm van censuur, u snoert mij de mond.’
Die Van Domselaar heeft de pik op haar. Gisteren wees ze naar haar truitje dat te laag zou zijn uitgesneden, en nu breekt ze in tijdens haar voordracht. Waar gaat ze haar cijfer op baseren?
Joost schuift zijn stoel naar achteren.
‘Inderdaad, nu kan Elvis haar verhaal niet tot een slotakkoord brengen, want wat u verontrustend vindt, noem ik pure poëzie.’
Hij geeft haar een knipoog, Elvis geeft een knikje terug, die Joost heeft eigenlijk wel wat.
‘Elvis, ik ben nieuwsgierig hoe het afloopt met de Stem, wil je je voordracht toch niet even met ons delen?’
‘Ik lever het liever in zodat u het kunt nalezen. Een verhaal kan maar een keer goed verteld worden.’
Haar naveltruitje maakt een sprongetje. Van Domselaar geeft een afkeurende blik weg. Elvis is er niet bang voor, ze heeft haar best gedaan, uren op haar kamer gezeten om haar cijfer op peil te houden. Als ze een laag cijfer krijgt, ligt het aan haar truitje en het onbegrip, de generatiekloof en de hooimassa in de hersenpan van Van Domselaar.
Ze weet waarom ze dit schrijft en natuurlijk zit er een boodschap in. Die docenten van tegenwoordig weten niets, ze horen je aan maar luisteren niet. Ze zijn hooguit bezig met hun eigen stem.
Haar docent heeft een piepstem, met het dichtgeknepen keeltje van een pasgeboren haantje hapt ze naar adem. Haar docent is een verloren stem, een die geluid voortbrengt maar geen contact legt, een stem in verbetenheid. Ze verdient geen stem, ze moet zitten in een hoek in het donker, glurend naar jaloersmakende navels en decolletés die niet de hare zijn. Ze moet luisteren naar woorden waar zij nooit op zou komen, haar leerlingen waarderen en opbouwende kritiek geven in plaats van ze te onderbreken in een voordracht.
Onderweg loopt Joost met haar op.
‘Ik ben wel benieuwd hoe het met die Stem afloopt?’
Zijn belangstellende blik is oprecht, Elvis mag hem wel.
‘Hij verhuist tijdelijk naar een bovenkamer met een gesloten deur en verandert van vorm. Noem het je innerlijke stem.’
‘O, je geweten?’
‘Nee, die woont eronder maar dat is een andere stem en tegelijkertijd zijn troost. Hij ontdekt allemaal verzwegen stemmen omdat hij nooit tijd nam om te luisteren. Hij gaat op ontdekkingsreis en komt er rijker van terug. De Stem leert geluid ontdekken op meerdere plekken en geeft een andere invulling aan zijn bestaan.’
‘Komt er een vervolg?’
‘Natuurlijk, een stem houdt nooit op met bestaan. Hij zal een comeback maken als hij genoeg heeft gecommuniceerd met zijn vrienden en hij zichzelf opnieuw uitvindt. Dat heeft tijd nodig. Wanneer hij en zijn gastheer er klaar voor zijn, komt hij naar buiten.’
‘Man, wat een feestje wordt dat. Ik wil hem graag leren kennen. Bel me, als het zover is.’
Elvis kijkt naar de rug van Joost, het kraken van het zwarte leren jasje, het ophalen van de schouders eronder, het loopje over het plein, de blik die hij haar geeft in zijn halve draai, ze kan er de woorden niet voor vinden. In die paar seconden geven zijn blauwe ogen de wereld zoveel meer betekenis.
Hij legt zijn tas op het trottoir en maakt een salto, een dubbele, en maakt een diepe buiging voor haar. Soms zegt een gebaar zoveel meer, daar valt elke klank bij in het niet. Wie heeft er nog een stem nodig?

Foto door Mary Taylor op Pexels.com

De boswachter

Een boswachter. Wat doet zo’n man? Bram krabbelt zich achter zijn oor, volgens hem een beroep dat altijd zal blijven. Zijn vader is boswachter en zijn opa ook, hij komt uit een typische boswachtersfamilie en daar is hij trots op.
Het wekt de interesse van Stegemans, Bram valt duidelijk uit de toon met zijn antwoord op de vraag wat voor vervolgstudie na het eindexamen komt. De meesten komen met vage studies, Lifestyle Informatics en een opleiding tot Entertainment zijn toch wel de meest zinloze.
‘Goh Bram, ik vind het bijzonder dat je zo’n ouderwets beroep kiest.’
‘Ouderwets, hoe bedoelt u?’
De sandalen van Stegemans maken een zenuwachtige beweging.
‘Ouderwets is misschien een ongelukkig gekozen woord. Laat ik zeggen, het is een beroep dat je niet zo vaak tegenkomt want wie van jullie kent er een boswachter?’
Bram steekt zijn hand op, ‘mijn opa en vader zijn boswachter en zij hebben allemaal boswachters als vrienden. Laat ik de vraag omdraaien; wie kent er nou geen boswachter? Het is voor mij idioot dat niemand uit deze klas geen boswachter kent, zelfs u niet.’
Stegemans wordt gered door de bel. Op weg naar haar fiets loopt Elvis achter Bram. Hij intrigeert haar, vooral omdat hij het imago van de boswachter een opwaardering geeft, met zijn lange lokken en slaperige wimpers lijkt hij uit een Amerikaanse film te stappen, zo een uit de jaren zeventig. Met zijn ontspannen houding sluit hij het portier van zijn Chevrolet en negeert hij de vrouwen die hem aanstaren. Hij opent de achterklep en haalt er een paar dieren uit die gedwee achter hem aan hobbelen, de eland en de wolf lopen naast hem. Mensen herkennen hem, ze fluisteren: ‘there is Bram, the Dutch forester, look at his behind, it’s a piece of art.’
Bram draait zich om, ‘ik had al het gevoel achtervolgd te worden.’
‘Hoezo achtervolgd? Ik loop gewoon achter je aan op weg naar mijn fiets.’
Hoe kan hij dat voelen? Misschien heeft hij dierlijke antennes ontwikkeld en communiceert hij op een ander level, volgt hij zijn instinct.
‘Heb je zin een stukje op te fietsen?’
Meefietsen kan geen kwaad, het meesterwerk neemt plaats op zijn zadel. Onderweg vertelt hij over zijn fascinatie voor dieren. Sinds zijn derde verzamelt hij insecten, beestjes die bij elkaar kruipen, elkaar liefhebben, de kop van de vijand eraf bijten en hun kinderen loslaten. Hij spreekt zelfs over de wenende weduwe van een hommelreus die dood neerviel na het eten van een papaver en zelf als een kamikazepiloot een einde aan haar leven maakte.
Af en toe vliegt hij uit de bocht, dan twijfelt ze aan de waarheid, maar misschien speelt de onwetendheid haar parten. Elvis heeft best oog voor de natuur en toont respect voor alles wat groen is, maar op het niveau van Bram is ze nog nooit geweest. Volgens Bram hebben we toegang tot twee levens maar maken de meeste mensen er geen gebruik van. Het ene leven wordt opgemaakt, dat van eten, werken en sterven, en van het andere leven maakt nauwelijks iemand gebruik. Dat is het leven in de natuur. Ongetwijfeld zijn er natuurliefhebbers, wandelaars die trouw de wegwijzers volgen en met een kaart van een natuurgebied dwars door vogelbroedgebieden lopen, omdat het nou eenmaal zo is uitgestippeld. Wandelaars zijn niet per se natuurliefhebbers, het zijn vaak eigenheimers die op het gesprek en de eigen stem zijn gericht en minder op de natuur. Ze marcheren vaak druk pratend door een stiltegebied terwijl dit gemaakt is ter bescherming van de dieren.
‘Mensen tonen geen respect, wat voor gesprekken ik allemaal niet opvang als ik in zo’n gebied wandel. Zeker een kwart van de bevolking kan ik afpersen als ik wil. Zelfs een enkele politicus maakt wel eens een dubieuze afspraak in een stiltegebied.’
Ze stoppen in het park en nemen plaats op een bankje. Zijn rust straalt op haar af, misschien praat hij wel met zijn insectenvrienden en is hij een soort Messias die de natuur beschermt. Het zou geweldig zijn als hij kan voorkomen dat ons land ooit onder water loopt. Net als ze een interessant gesprek wil starten en haar betrokkenheid wil laten zien over het wereldklimaat, ontneemt hij haar de val in de afgrond.
‘Als mensen eenmaal weten dat ik mij inzet voor de natuur beginnen ze over milieurampen en het einde van de Noordpool. Dat vind ik zo’n negatieve lading hebben, zo’n gesprek eindigt namelijk tot niets. Je moet bij jezelf beginnen, er moet een maatschappelijk besef komen en een gecoördineerde handeling. Hark je tuin eens aan en kijk dan eens goed in de aarde in plaats van te walgen van een pissebed. Weet je dat ze twee penissen hebben? Vrouwtjes overigens twee vagina’s, stel je eens voor.’
Wat moet ze zich precies voorstellen? Ze moet er niet aan denken, aan een heeft ze al dagen werk aan onderhoud. Voordat alles in een mooi aangeharkt perkje is gelegd, is er weer een week voorbij. Wat moet je met twee geslachtsdelen? Misschien is Bram wel een seksmaniak en laat hij die arme insecten hele orgiën houden. Hij loopt op een vlieg af. Het blad van het zevenblad wiebelt wat heen en weer.
‘Kijk, het zijn er twee, bovenop elkaar.’
Elvis heeft geen zin om naar vleesvliegen te kijken, het meesterwerk van Bram hobbelt een beetje heen en weer als hij op zijn hurken het schouwspel bestudeert. De Chevrolet is heel ver te zoeken, ze ziet hem in een 45-kmkarretje.
‘Ik ga ervandoor Bram.’
‘Ik ook, ze zijn klaar.’
Het geluid van de fietsbel verandert in getoeter, hij neemt plaats in zijn rode autootje, zijn vader naast hem, zijn opa weggedrukt tegen de passagiersdeur aan.
‘Tot morgen Elvis.’
Als ze het autootje inhaalt en ze naar opa de boswachter zwaait, dansen twee hommels rond zijn hoofd. Hij praat met ze en roept ze tot de orde, ze nemen het stuur over en geven er een zwiep aan. Het autootje vliegt, de vleugels maken vaart. Een zwerm spreeuwen nadert en draagt het rode gevaarte door de lucht. De uitlaat spuwt vuur, een libelle ontsnapt nog maar net aan de vlammen. Ze maakt een slalom en mindert vaart als ze opa van rechts inhaalt. Hij draait het raampje open en geeft haar een knipoog. Haar vleugels blozen, de facetogen geven de glimlach weg.

Foto door Wendy Wei op Pexels.com





Achter de muur ligt het avontuur

Als ze alles over mocht doen had ze het leven anders aangepakt. Dan nam ze een afslag eerder en maakte ze de oversteek. Ze trouwde een man van een ander kaliber en leidde een avontuurlijk bestaan, niet zo gezapig maar vol spanning en spontaniteit. Overzeese landen werden bezocht, eilanden die niet in reisgidsen voorkwamen, the Bartolome island of het Isla del Coco voor de kust van Costa Rica. Het leven was minder voorspelbaar geweest, ze wist niet welke vis er ’s avonds op haar bord lag of welk dier geschoten werd om de maaltijd compleet te maken.
Natuurlijk zou ze zijn reizen alleen moeten accepteren, een man op de grote vaart neemt niet altijd zijn vrouw mee, die loopt nu eenmaal in de weg of kookt een vegetarische maaltijd voor de stuurlui, waarop ze niet kunnen leven. Zeebonken eten vlees, stevige soepen met Spaanse pepers, voedsel dat cement vormt in de buik, een zeeman moet sterk zijn om alle zeilen bij te zetten en weer gezond aan wal te gaan.
Elvis’ oma mijmert graag over het leven dat ze niet heeft geleid, ze neemt Elvis geregeld mee naar landen die ze nooit heeft bezocht, Thailand, IJsland, Australië. Dan praat ze honderduit over de cultuur, gerechten die aan haar neus voorbij zijn gegaan, de geur van papaja die ze nooit zal ruiken. De landen die ze wel heeft bezocht kunnen haar goedkeuring niet wegdragen. Zo volgt de Gambiaan de geur van haar leren portemonnee en gebruikt de Italiaan zijn penis als kompas. Elvis kan zich voorstellen dat haar oma in haar jongere jaren een schoonheid was, een actrice die met haar blonde lange lokken het magnetisch vlak van menig kompas deed doldraaien.
Ze schrikt van de verhalen, niet door het eenzijdige beeld dat haar oma van de man schept maar door het constante verlangen naar een onvervulbare bestemming. Zelfs in perfectie zal zij altijd denken dat er een plek is waar het beter, mooier en warmer is, een lot dat niet voor haar maar voor een ander is bedoeld. Ze leeft met een gapend gat dat door niemand is te vullen. Het heeft een weerslag op Elvis’ moeder die probeert haar leegte te dichten, ze voert gesprekken, koopt een blouse van zijden of een jurk van satijn, armbanden, en schoenen met een gouden randje.
Elvis’ oma is nooit tevreden waardoor haar moeder zich altijd te kort geschoten voelt. Het is een treurig samenspel, de een reikt aan, de ander legt weg.
Toch heeft de leegte van haar oma een positief gevolg. Haar moeder waardeert het kleinste gebaar, een ontbijt op bed, een wandeling door de bossen, een goed gesprek, een mierenkoningin tijdens haar bruidsvlucht. Ze tuurt naar werksters, volgt de route van een mierenkolonie en respecteert de natuur. Met het regenwater uit de ton besprenkelt ze haar zelfverbouwde groentes. Ze schrijft in haar dagboek hoe dankbaar ze is, ze stapt de deur uit, zet een gretige hap in de lucht en kauwt met het besef hoe groots en wonderbaarlijk haar leven is. Waar haar oma geluk negeert, slikt haar moeder het in en blaast het op.
Opgewekt loopt haar moeder op haar oma af en reikt haar een doosje aan.
‘Mam, deze is voor jou.’
De vingers peuteren het plakbandje los, als ze het doosje opent glunderen haar ogen.
‘Wat is dat nou voor ring?’
Haar oma schuift hem om haar vinger.
‘De robijn geeft je kracht en energie, het versterkt je hartchakra.’
De rechterhand wordt in het schijnsel van de zon gehouden, de rode steen schittert in het licht.
‘Weet je dat de koningin een robijnen tiara draagt?’
Ze kan het niet, ze gunt zich het geluk niet, ze verdraagt de overdracht van liefde niet, ze staat het niet toe.
‘Jij moet het doen met deze ring mam.’
‘Emma droeg hem ook al. Die koninklijke familie heeft het maar goed, gouden koetsen, robijnen op het hoofd, plezierjachten en huizen in andere landen.’
‘Kom Elvis we gaan.’
Haar oma zwaait, de ring kleurt goed bij de rode lak op haar nagels.
Elvis loopt achter haar moeder de trap af.
‘Ik begrijp niet dat jij altijd tegen die muur van oma op wilt lopen.’
‘Weet je Elvis, als je een helm draagt voel je de pijn niet, en ik loop niet tegen die muur op maar ik beklim hem, kijk er overheen en daal weer af.’
‘Toch raak je telkens teleurgesteld.’
‘Dat is waar, maar ik beklim die muur in ieder geval. Als ik dat niet doe, brokkelt hij af. Ik zorg ervoor dat hij in tact blijft. Sommige dingen worden een wetmatigheid, de een houdt de muur vast, de ander kiest ervoor de muur te zijn.’
‘Is er nooit een deur in die muur geweest?’
‘Vast wel, misschien zelfs een raam maar dit is functioneler, een raam moet je weer zemen en een deur weer sluiten.’
‘Of openen.’
‘We moeten het nemen zoals het is Elvis, de muur wil geen deur openen of sluiten, hij wil gewoon een muur zijn. Sterk en stevig.’
‘En blind mam, zolang jij geen kastje wordt, ga ik akkoord.’
Haar moeder tuurt even omhoog, stopt bij het raam van de mooie bloeiende geranium en kijkt een raam verder. Een hand met rode nagels zwaait, de glinstering aan de vinger ontbreekt. Haar moeder zwaait terug, de vitrage wordt dichtgeschoven, het gordijn gesloten.

Foto door Madison Inouye op Pexels.com


Lange benen in een korte rok

‘Hoe reageer je dan?’
Haar moeder trekt haar rokje lang en zwaait de sjaal over haar schouder.
‘Ach, ik lach er een beetje om. Op mijn leeftijd ben je allang blij om nog in de smaak te vallen.’
Het rokje kruipt omhoog als haar moeder steun in de kussens van de bank zoekt. Vertwijfeld reikt haar vader de thee aan.
‘Wat is er nou?’
‘Ik vermoed dat Elvis wil zeggen dat je voortaan proactief mag reageren.’
‘Doe niet zo idioot zeg, mag een man niet te kennen geven mij aantrekkelijk te vinden?’
‘Hij vindt niet per se jou lekker, hij reageert op die lange stelten van je waarmee je een verkeerd signaal afgeeft.’
Wat een akelige opmerking van haar vader.
‘Dus ik ben een onaantrekkelijk wezen, dat alleen maar benen heeft die de moeite van het kijken waard zijn? Als jij met deze opmerking duidelijk wilt maken dat mijn beste tijd erop zit en ik wuivend het leger van mijn succesvolle jaren achter mij mag laten, mezelf mag wegcijferen omdat alleen anderen recht hebben op aandacht van het mannelijk schoon, en ik nu dus te boek sta als een ongeëmancipeerd en onnozel wezen, en jij stiekem een vuilniszak over mijn hoofd wilt trekken Bart Hammers, dan mag je wat mij betreft vandaag nog je koffertje pakken.’
Snel trekt ze de deken over haar benen die er overigens nog heel goed uitzien voor een veertiger.


‘Mam, wat ‘ie bedoelt is dat mannen altijd wel iets naar vrouwen roepen, ongeacht wat er voorbij loopt.’
‘Juist, zodra er een stel benen voorbij flitst, zijn mannen er als de kippen bij. Bepaalde mannen natuurlijk, van die types die onbedaarlijk boeren terwijl ze met getatoeëerde armen de bilspleet proberen te bedekken en bukkend het zoveelste biertje uit het krat trekken.’
Hij trekt zijn broek omhoog en vetert zijn zelfbeeld weg in zijn sneaker.
‘Toch vind ik het een nare opmerking.’
De deken wordt tot aan de kin getrokken, schielijk kijkt ze neer op het hoofd van haar man. Hij doet nooit zo lang over het veteren van zijn schoenen, meestal bungelen ze er achteraan.
‘Hoe staat het met jou eigenlijk Elvis? Jij wordt toch ook weleens nagefloten?’ De deken wordt om het hele lijf geslagen.
‘Natuurlijk wordt die nagefloten, meiden op die leeftijd hebben helemaal wat te verduren.’ De schoenen zien er strak uit en begeven zich richting het koffieapparaat.
Wat moet Elvis zeggen, dat ze zich geïntimideerd voelt wanneer ze door het park fietst en een groepje jongens haar toeroept, ‘schatje’, ‘sletje’, en ze, zodra ze doorfietst een arrogante hoer is? Moet ze vertellen hoe er gesist wordt als ze op straat loopt en ze jongens passeert? Hoe ze soms een omweg maakt als er weer een groepje doelloos op een brug hangt? Ze groeit ermee op en vindt het idioot dat dit gedrag ongestraft blijft. Gaan we een paar eeuwen terug in onze houding naar de vrouw? Want wat stelt ze voor als je haar wenkt als huisdier? Elvis leert ermee om te gaan, soms wuift ze het weg, meestal wordt ze kwaad en af en toe gaat het mis.
Een tijdje terug fietste ze langs het Breeplantsoen, twee jongens zaten op een bankje, een onschuldig tafereel totdat er een opstond en een stopgebaar maakte. Zou ze rechtsomkeert maken en liet ze de angst regeren? De jongen liep op haar af, de ander bleef zitten. Ze kon haar fiets omdraaien maar daar was het pad te smal voor, ze zou moeten afstappen wat haar tot prooi maakte of ze kon hem negeren, vaart maken en doorfietsen maar dan kwam ze in botsing met de jongen die dacht dat hij verkeersregelaar was.
Ze stopte abrupt en keek de jongen aan, ze hoopte dat haar bonkende halsslagader zich niet stiekem naar haar wang zou verplaatsen. Lacherig zocht hij steun bij zijn vriend die de nodige wiet tot zich had genomen. De jongen kreeg de slappe lach, als een adder lag hij te kronkelen in zijn eigen armen. De jongen voor haar schatte ze een jaar of zeventien, die kon ze wel aan, hij had de bouw van een vis zonder graat. Zijn armen bungelden langs zijn lijf, zijn hals had de lijnen van een frikandel en zijn gezicht de glans van een frituurpan. Uitdagend voelde hij even tussen zijn benen, een beweging waar alleen Michael Jackson patent op had. Hij grijnsde en keek schalks naar zijn vriend. De jongen hapte na elke schaterlach naar adem en kneep zijn ogen tot spleetjes. Ze kreeg zin om hem harder te laten gieren.
Ze stapte van haar fiets af. Onverschrokken moest ze overkomen, ze schraapte haar keel en ging tegenover hem staan. Het linkeroog van de jongen werd bang, het spiertje van zijn lid trok even omhoog, ze rook de olie uit de frituurpan. Plots stak hij zijn hand op, misschien wilde hij haar aanraken of een tik uitdelen, ze wist niet wat zijn intentie was en gaf hem een harde trap tussen zijn benen. De jongen greep opnieuw naar zijn kruis en zakte in elkaar. Elvis pakte haar fiets en keek achterom, ze zag hoe de twee kronkelende lichamen steun bij elkaar zochten.
De weken erna was er de angst voor een onverwachte ontmoeting, ze verstopte zich onder petjes en zonnebrillen en fietste op met de grootste sukkels van school om maar niet in een val te trappen, totdat ze er genoeg van had om met samengeknepen billen op haar zadel te zitten. Ze besloot bij een volgende ontmoeting precies hetzelfde te doen, in angst leven paste niet bij haar. Ze was als held geboren en als held zou ze ondergaan.
‘Elvis, wat doe jij dan als je wordt nagefloten?’
Het kleine hoofd piept boven de deken uit. Ze wil haar moeder laten zweven, de woede die ze soms voelt als er naar haar wordt gesist, laat ze voor nu even varen. Ze trekt de deken van haar moeder weg en kijkt naar het rokje.
‘Ik begrijp het wel hoor, zulke benen ontgaat alleen een blinde.’ Haar moeder giebelt.
‘De kleur vind ik mooi, het verfrist me en geeft me rust maar blijkbaar krimpt de stof in de was. Ik had geen zin om hem uit te doen en al na de eerste stappen op straat merkte ik hoe effectief de lengte van mijn benen was. Nooit eerder maakte ik zulke grote stappen, ik voelde me gezien.
Ja, misschien speel ik de hoer in jouw ogen, Bart Hammers, als ik in alle heerlijkheid mij ondeugend voel en blikken mij volgen. Het lijkt zo lang geleden, alsof het verleden mij inhaalt en ik besef hoe oud mijn lijf in wezen is. Hoe kan het dan zijn dat ik zo’n kinderlijke blijdschap voel? Is het een blijk van waardering, is het de angst ingehaald te worden door mijn dochter, of ben ik bang afgedankt te worden door haar jeugdigheid?’
Het is een bijzonder moment, haar moeder stelt zich kwetsbaar op, het hoofd verstopt zich onder de deken om zich daarna weer te laten zien.
‘Natuurlijk moet ik walgen van een vieze opmerking of een bepaalde blik, uiteindelijk zijn mannen veelal seksistische wezens die zo’n vierendertig keer per dag aan seks denken. Zolang ze tijdens die gedachtes mijn dochter maar met rust laten.’
De schoenen zoeken toenadering en schuifelen in de richting van de bank.
‘Absoluut, de eerste de beste die jou lastig valt, bewerk ik met mijn bijl.’
Het kleine hoofd leunt tegen Elvis’ schouder.
‘Ben jij weleens lastig gevallen Elvis?’
De schoenen lopen kordaat naar de bank.
‘Natuurlijk niet Els, anders had ze ons dat heus verteld, toch Elvis?’

Foto door cottonbro op Pexels.com

Functie elders

Op een ochtend als deze wil ze thuisblijven. Snotterend gooit ze de papieren zakdoek in de prullenbak, ‘dat is dan de achtste’. Haar moeder is ervan overtuigd dat de pollen weer aan het dollen zijn.
‘Er is niets aan de hand’, een avocado wordt onder haar neus geduwd, ‘ruik je dit?’
‘Avocado heeft geen geur.’
De neus van haar moeder hangt boven de ontblote vrucht, ‘nou als je goed je gaten vult, treedt er een zoete geur je neus binnen.’
Elvis hangt er voor de vorm boven maar ruikt niets. Haar moeder pelt een sinaasappel.
‘Dat jij dit zo vroeg kunt eten begrijp ik niet.’
‘Hoe ruikt het?’
‘Zuur mam, om daar nou de dag mee te beginnen belooft weinig goeds.’
‘Als je haar nou mijn ontbijt laat opsnuiven, ben je sneller klaar.’ De wiebelende dooier vindt in zijn geheel de open mond, haar vader geeft een knipoog weg en steekt zijn tong uit. Wat een walgelijk begin van de ochtend.
‘Haalt René je op in deze plensbui? Vertel hem maar niets, tegenwoordig denkt iedereen dat je ernstig ziek bent, zelfs bij een allergie.’
Ongemakkelijk stapt ze achterin de auto van Renés vader, ‘René klinkt wat verkouden, ik dacht hem voor alle zekerheid maar thuis te houden.’ Ze knikt hem toe in zijn achteruitkijkspiegel.

Op afstand loopt de horde achter elkaar het lokaal binnen, als een gedrild dier wordt ze haar kooi ingedreven.
Haarsma praat over risicospreiding, zijn handen zijn gevouwen. Dinand, die aan de overkant zit, geeft haar via meerdere handen een map onder de tafels door. De nieuwsgierigheid neemt de overhand, ze bladert door de stapel papieren, lijsten met namen, adressen, telefoonnummers, krantenartikelen, grafieken en onderzoeksresultaten. Het is een verzameling van complotaanhangers en -theorieën, een andere kijk op de samenleving waarover ze weleens met hem van gedachten wisselt. Het is meer zijn gedachte die hij aan haar doorspeelt, hij geeft haar een kijkje in zijn brein. Ze staat open voor andere meningen en gedachtes, het verbreedt haar kijk, bovendien komt ze uit een gezin wat dit aanmoedigt. ‘Nooit deuren sluiten Elvis. Soms zijn we bang voor het vreemde maar het is de enige manier om te groeien, hoe groter de deuropening, hoe voller het gezelschap in de bovenkamer.’ Haar moeder sloot de tuindeur en greep naar haar hoofd, het gebaar nodigde niet direct uit om haar advies op te volgen.
Dinand heeft een deur waar hij zelf als eerste naar binnenstapt, zo af en toe mag iemand hem volgen als hij zijn verhaal wil delen. Inmiddels is ze erachter dat hij behoefte heeft aan een luisterend oor en iemand die zijn onderzoekdrift op waarde weet in te schatten, hem complimenteert, zijn verkenningen prijst, hem wijst op zijn intelligente bevindingen, hem bevestiging geeft en zijn ego streelt. Ze houdt zich dus op de vlakte.
Ze spreken weleens over de avondklok en de gevangenschap, zoals hij het noemt. De opsluiting van hun generatie, het afknijpen van de geest. Ergens kan ze zich erin vinden maar meestal is het een monoloog van zijn kant, hij zoekt een klankbord, misschien zoekt hij een terechtwijzing, alleen is zij daar niet de aangewezen persoon voor. Ze heeft zoveel andere dingen om over na te denken, een vervolgopleiding, de liefde, de klimaatcrisis. Moet ze zich wagen aan zo’n ander vraagstuk?
Ze voelt dat ze in de gaten wordt gehouden, zijn ogen vragen om een bevestiging, een knik, een lichte draai van haar nek, een duim omhoog. Behoedzaam schuift ze de map opzij, ze probeert zich te concentreren op de uitleg van Haarsma, economie is niet haar sterkste vak.
‘Elvis, hoe teken je een vraaglijn?’
Haarsma wijst naar het bord. Wat een vervelende sukkel is die Dinand ook, hij trekt haar mee een dubieuze map in wat ze zich niet kan permitteren. Ze heeft niet de vrijheid om te kiezen tijdens deze les, ze moet Haarsma te vriend houden. Hij is welwillend als ze met een goed argument wil onderhandelen over een cijfer, meestal betreft het slechts een tiende punt maar het kan vergaande gevolgen hebben als hij hier niet meer voor openstaat.
‘Volgende keer als je weer iets van me gedaan wilt krijgen, zal je toch echt antwoord moeten geven op deze vraag Elvis.’
Ze moet zich ook niet laten afleiden, ze kan Haarsma nog weleens nodig hebben. Hij krabt zich achter zijn oor, hij heeft het ook niet gemakkelijk, collega’s vinden hem te vooruitstrevend, hij durft zaken te bespreken, haalt omstreden onderwerpen aan, heeft kritiek op de economische situatie.
‘Meneer Dinand, verwijdert u zichzelf even uit de les.’
Dinand hangt over zijn tafel, zijn leven is vast zorgeloos en uitgestippeld door zijn adellijke afkomst waar hij graag over praat. ‘Wat wij op zondag doen?’, oppert hij ongevraagd in de pauze, ‘wandelen, discussiëren en sterren kijken door de telescoop van mijn grootvader, een echte Carl Zeiss.’ Er valt een stilte op zijn wedervraag, wat moet ze zeggen? Wij wandelen s’ middags, mijn moeder sluit zich op voor haar yogasessie en mijn vader test het streekbier met zijn vrienden? Zondag is voor haar de beste dag van de week omdat haar moeder van alles bakt en braadt en het gezellig is met vrienden die komen eten, maar het contrast met zijn familie kan niet groter zijn. Ze schrikt van haar schaamte, de afkeer van haar eigen milieu waar anders niets op aan te merken valt. Ze laat zich intimideren door zijn adellijke komaf. Dat wil ze niet, ze kent het gevoel ook niet, ze schaamt zich ervoor, het voelt als verraad, ze moet het doorbreken voordat het de overhand neemt en zij altijd in de schaduw van anderen zal lopen.
‘Wij wandelen ook op zondag, mijn moeder sluit zich daarna op voor haar yogasessie en ’s middags komen Roelof en Josh langs, mijn vaders’ vrienden, met een tas vol streekbiertjes. Die testen ze dan om te kijken welk het meest smaakvol is en dat flesje, de uiteindelijke winnaar, krijgt een plek op de schouw. Omdat mijn moeder een hekel heeft aan al die lege flesjes boven de open haard is het een wisselfles geworden. Nu staat er nog maar een enkel flesje, elke zondag wordt die verwisseld voor een ander etiket. Na haar yoga gaat mijn moeder de keuken in en braadt ze de rug van een hert, of ze bakt kip met citroen en rozemarijn, en altijd als ze net klaar is met de salade, staan Elise en Seda voor de deur. Dan gaat het feest beginnen, de olijven en bitterballen, stokbroden en kazen komen tevoorschijn. Dan wordt er gelachen en gepraat, soms wordt er gedanst. Vroeger schaamde ik me voor ze, maar nu ik ouder word weet ik steeds vaker die deur te vinden die ik uit angst dicht houd, of uit schaamte. Dat wil ik niet meer, ik ben mijn eigen portier geworden.’
‘Wow Elvis, dat klinkt zoveel aantrekkelijker dan de zondag bij mij. Ik moet de hele middag het pianospel van mijn oma aanhoren.’
‘Dan doe je je oortjes in. Het is toch fantastisch om op zondagavond door zo’n klassieke telescoop te kijken, een te worden met het grotere en op te gaan in de oneindigheid, los te komen van het aardse en alle problemen? Daarboven is tenminste een duidelijke hiërarchie, de zon, de maan, de sterren, de planeten, misschien zwerft er af en toe iets raars doorheen, een meteoriet of een ster die van zijn plek valt maar daarboven is er een vaste kern. Een betrouwbare bron, een houvast, dat is wat ik ervaar als ik naar de sterren kijk.’
‘Zie je, ik heb je goed ingeschat.’
‘O, hoe dan?’
‘Jij bent niet van deze tijd. Misschien is deze map toch niet voor jou bestemd, jij bent meer een dromer en een romanticus, terwijl ik mij meer vind in de strijdbaarheid en het geloof in een schaduwzijde van de samenleving.’
‘Die kant heb ik ook hoor, alleen houd ik mij daar nu niet mee bezig. Kom anders over twee maanden terug, dan heb ik meer tijd.’
Zijn schouders hangen, zijn klankbord moet hij voor een ander zien in te ruilen.
‘Ok, ik noteer het even in de map.’
Haarsma loopt langs, ‘Elvis, verpest de laatste maanden niet, je bent juist zo lekker op weg met economie.’
‘Kunt u anders de vraaglijn nog even toelichten?’
‘Wat denk jij nou? Ik sta niet voor niets voor dat bord, dan moet je maar bij de les blijven. Ik heb ook nog een functie elders.’
Dinand noteert haar nummer in de map, ‘wat voor functie zou hij nog meer hebben?’
Ze ziet hem languit op de bank liggen, omringd door stripboeken en half leeggedronken koppen koffie. Kinderen rennen om hem heen, hij roept ze tot de orde maar niemand luistert. Alle vier rennen ze achter elkaar aan, hij probeert boven de stemmen uit te komen maar ze horen hem niet. Hij sleept zich van de bank en volgt ze, ze moeten naar hem luisteren, ze doen de deur open maar als hij aankomt, loopt hij tegen een muur op. Hij neemt even afstand en doet een paar stappen naar achteren, voelt de groeven in de muur en beseft: er heeft nooit een deur gestaan, er is nooit een opening geweest.
Schoorvoetend loopt hij terug naar de bank, als hij er nog staat. Hij haalt adem, als er nog lucht is en slaat de deken om zich heen, als hij nog warmte kan voelen. Hij sluit zijn ogen maar opent ze weer, bang dat het morgen nooit meer licht wordt.

Foto door Markus Spiske op Pexels.com




De man die alles klaren kan

‘Ik begrijp niet dat hij is herkozen. Het hele land racet dankzij hem de afgrond in en wij trekken onszelf nog een klein beetje dieper de klei in tot er niets zichtbaars meer overblijft. Nederland? Heeft dat land ooit bestaan? Jammer van zijn ligging onder de zeespiegel. Het land is inmiddels uit elkaar gerukt, delen drijven ergens over de oceaan, sommige stukken zijn ingepikt door landen, andere restdelen zijn naar de bodem gezakt. Het torentje uit Den Haag is gered door een baggeraar op de Noordzee.’
Haar vader gooit de krant in een hoek en bijt in de filter van een sigaret.
‘Je rookt toch niet meer?’
‘Elvis, in crisis grijpen we altijd naar iets dat ons ondermijnt, deze verkiezingsuitslag is daar een goed voorbeeld van.’
De sigaret wordt in de tuin gegooid. Haar moeder raapt hem op en werpt hem in de afvalemmer, ‘en ik maar denken dat jouw hart een groen randje heeft.’
Hij pakt een peen van de fruitschaal, ‘ik zal je zeggen Els, er kleurt even helemaal niets aan mij. Slechts een zwartgeblakerde anus geeft het resultaat van de verkiezingen aan. Wat een shitzooi, wat een bedriegerij, wat een land zijn wij.’
Ze moet hem gelijk geven, het valt haar ook tegen dat links sneuvelt.
‘We zijn een behoudend land geworden, waar is onze pioniersgeest gebleven, onze manmoedigheid? De dappere dodo is van een uitstervend ras en niet meer op ons van toepassing.’ Hij draait zich om wat geen goed teken is.
‘Ik moet naar school, tot later.’
‘Weet jij Elvis, dat onze voorvaderen hebben gehangen voor de vrijheid?’ De wortel wordt in de tuin gegooid.
‘Nou ja zeg Bart, welke kant ga je nu ineens op?’ Haar moeder raapt het op en steekt de peen het vogelhuisje in.
‘Denk jij dat daar een konijn in past?’ De wortel wordt naar een struik verplaatst.
‘Ratten komen op ons af, vretende ratten,’ het voer verdwijnt in de afvalbak, ‘ze pakken ons alles af, op den duur worden we opgevreten door angst en is ons aanpassingsvermogen, onze houding in dit nieuwe normaal, de aanleiding van een crisis van een omvang die wij niet kennen. Het brengt ons nog dieper in de afhankelijkheidspositie waarin wij ons bevinden op een aarde die door nalatigheid zichzelf verwoest.’
Het is een heldere uiteenzetting en een opbeurend wereldbeeld die haar vader zo weet neer te zetten op een doordeweekse ochtend. Met zijn koffie loopt hij de tuin in. Ze begrijpt zijn frustratie, hij had ingezet op een partij die de kerncentrales zou sluiten en de klimaatcrisis aanpakte.
Eigenlijk stemt hij groen uit liefde voor haar. Zijn grootste zorg is de nalatenschap van zijn generatie. Door onwetendheid en een lakse houding van de wereld blijft zij achter op een afgekloven aarde. Wie is er verantwoordelijk voor zo’n omvangrijk probleem?
Dezelfde vraag stelde iemand tijdens de les maatschappijwetenschappen. Het houdt haar sindsdien bezig maar ze komt er niet uit, er zijn teveel belangen. De mens is afhankelijk van een ingewikkeld systeem. De positieve gedachtes en de uiteenzettingen in haar hoofd worden teniet gedaan door de massale omvang van het vraagstuk. Ze raakt verstrikt in een web van beloftes, opstandigheid, olie op zee en dode dieren.
Toen ze er later over sprak, thuis aan tafel, kwam de beer in haar vader los. Haar moeder begreep het onmachtig gevoel maar haar vader zette de boel in lichterlaaie. Dacht ze ver te komen met haar hangende hoofd? Ook hij raakte vaak in vertwijfeling maar hij bleef strijden tegen kernreactors, hongerlonen, subsidies die te laag waren, bomen die gekapt werden, hij had zelfs nog achterop een tractor gestaan uit respect voor het boerenwerk. ‘Laat je stem horen Elvis, altijd, hoor je me? Altijd.’

‘We zijn onze eerbied kwijt.’ Ze beseft dat het klinkt als een preek op zondag, maar ze staat achter deze gedachte. Alles waar het woord ‘eerbied’ mee gemoeid is, wordt gelinkt aan brildragende mannen die met een folder onder de arm hun voet tussen de deur zetten, of met furie achter de kansel staan. Het is een vergeten woord, in eenzaamheid wacht het zijn beurt af tot iemand hem weer oppikt en hem in een context plaats om de betekenis weer waarde te geven.
Zij groeit op in een maatschappij die zichzelf door zijn eigen tempo inhaalt. Hoe kun je iets op waarde schatten als je niet de tijd neemt het tot je te nemen? Als we terug gaan naar de basis weten we weer waar het omdraait. Om eenvoud, om de koe en haar melk, de kaas en het vlees. Een cirkel die lang te volgen was maar door de zucht naar meer, een ondergewaardeerde levensvorm is geworden. Het is deze visie van haar ouders, die ze begrijpt en deelt.
‘Hoe dieper je het bos ingaat en je huid zich laaft aan de koelte van de takken, hoe meer je de natuur waardeert, maar zodra je bladeren uit verveling plukt doordat de onrust de overhand neemt, ben je het bos niet waardig.’
‘Het klinkt als de ondervinding van een zendeling op missie maar je hebt helemaal gelijk hoor Els, we missen ontzag voor de natuur.’
Elvis kan zich vinden in de teleurstelling van haar ouders. We zijn een consumerende wereld met spilzucht, het verwijdert ons van het geloof dat het ooit weer goed komt. Eenvoud is de enige manier om weer terug te keren naar een plek die je kent. Misschien zijn we inderdaad behoudend, en ontbreekt het ons aan lef, misschien voelen we de rand van de afgrond en staan we op een keerpunt van ons bestaan, misschien handelen we uit angst en kiezen we om die reden op dezelfde man die alles klaren kan.
Haar vader steekt een wortel achter zijn oor, ‘Elvis, we moeten nog vier jaar wachten, in de tussentijd maken we er maar het beste van. Als je vanmiddag thuiskomt kunnen we een potje basketballen?’
‘Waarom verzinnen jullie niet eens een andere sport?’
Elvis twijfelt, ze weet precies hoe het gaat. Ze lopen naar het plein waar zij een paar vrienden ontmoet, haar vader probeert indruk te maken, hij wordt aangemoedigd en zij wordt aanbeden. Door Rutger, een jongen die zij niet ziet staan. Hij heeft veel te veel praatjes, doet beloftes die hij niet nakomt en maakt grappen waar hij zelf om lacht. De meeste meisjes trappen erin, maar zij niet. Ze heeft hem door, hij maakt niets waar. Wil ze het anders, een ander plein bezoeken, wil ze nog wel met haar vader basketballen? Ja, dat wil ze. Ze houdt van de vorm van de bal, het geluid op de straatstenen, het gejoel van haar vader, ze weet wat ze kan verwachten. Soms is het zo ontzettend fijn te weten waar aan toe te zijn. En die gedachte rijmt, wat niet haar bedoeling is. Het is per slot van rekening geen sinterklaasavond.
Haar vader gooit de bal naar haar hoofd, haar moeder duwt hem de tuin in. Het vertrouwde plaatje dat telkens opnieuw wordt gedraaid, soms zit er een kras in en blijft het steken in dezelfde groef. Ze kent de melodie en het ritme, de naald die de cirkel bewerkt. Laat alles zo blijven, zo kan er niets misgaan.

Foto door Polina Kovaleva op Pexels.com

De held

Haar moeder maakt een spirituele reis door Afrika, in meditatie bezoekt ze plekken die haar tot rust manen en voor Elvis onzichtbaar blijven. Ze bewandelt zandduinen in woestijnen en trekt met een rugzak door wildernissen. Soms heeft ze pech en achtervolgt een luipaard haar spoor op de dagen van onrust, als de slaap de geest van teloorgang ontmoet en haar reactie vertraging oploopt.
Vroeger begreep ze haar moeders tocht niet, de gang naar de schaduw, de boom na een wandeling op de hei. Het irriteerde, het matje onder de arm, de weg naar stilte bracht haar uit evenwicht waar haar moeder de balans vond. Het ondermijnde Elvis’ behoefte aan vrijheid, het voldeed niet aan het beeld dat bij een heldin hoorde. Ze wilde geen moeder die rust als doel had.
Het verlangen naar een vrijheidsstrijder groeide, ze wilde een vrouw met opgestroopte mouwen die voorop liep bij een demonstratie en leuzen riep die aanstootgevend waren. ‘Fuck de elite’, ‘Fuck de overheid’, ‘Dood woningnood’. Haar moeder heeft nooit in een opruiende menigte gelopen maar moedigt Elvis aan het wél te doen, misschien wil ze van haar leven leren, de verloren stappen zetten met haar dochters schoenen.
‘Laat je niet ontmoedigen Elvis. Denk nooit: ‘ik word toch niet gehoord.’ Ook jouw stem is van belang zelfs als de echo uitblijft.’
Elvis is milder geworden en leert haar moeder niet te veroordelen omdat zij haar een heldenrol toebedeelt.
Je wordt als held geboren of gaat ten onder als loser. Haar vader bepaalde haar lot bij de geboorte door de naam te geven van een legende. Ze moet het waarmaken, de onvolprezen heldenrol op zich nemen en hem met eer uitdragen. Het is een taak die ze moet uitvoeren. De naam past bij haar. Door de glans waarin de letters van haar naam zijn gedoopt, leert ze hoe ze hem moet uitspreken. Met een sprongetje in het midden ‘El…vis’, om de diepte van de betekenis aan te geven. Sommigen noemen haar arrogant, niet iedereen begrijpt dat glamour nu eenmaal bij haar naam hoort. Soms treedt ze op door een entree te maken. Dan komt ze op hoge hakken in een leren broek, in een strak truitje onder een kort leren jasje met parelmoeren pailletten en een zwarte baret, met bovenop een puntje dat naar de zon wijst.
Dan geniet ze van de aandacht, haar naam wordt geroepen, de glinstering van haar persoonlijkheid weerkaatst in de ringen om haar vingers. Op die momenten weet ze wat het is om een held te zijn, geliefd te worden, omringd door vrienden die je willen voelen, je nek willen ruiken, je adem willen zijn. Ze doet het niet vaak, zich overdreven uitdossen en transformeren tot de held die zij niet is. Hooguit drie keer per jaar trekt ze haar glamouroutfit uit de kast. Ze moet zich namelijk goed voelen, sterk en vast, zoals een steen in cement, ze moet zichzelf mooi vinden, woest aantrekkelijk en onvervangbaar, uniek en legendarisch.
Meestal voelt ze zich niet zo zeker, dan kruipt er weer een puistje uit zijn hol, of zit haar haar als een kersttak in juli, haar geest maakt idiote sprongen in haar hoofd, of haar lijf rijpt tijdens een nacht van klam zweet. Ze begrijpt haar moeder wel. Het is heerlijk om op een matje in Afrika te zitten, geluiden te horen in een land waar je niet woont, je geest tot rust te roepen en te ontglippen aan de dag waar je tegenop zag. De dag van een toets of een uitgesteld essay, een zware onvoldoende omdat ze niet geleerd had en naar buiten staarde naar een konijn dat telkens terug keek op de avond van haar eerste blowtje, na de gebroken belofte met haar vader die haar zo graag ooit zelf wilde meenemen in de wereld van ‘de geest die naar de disco gaat en op exploderen staat.’ En als het moment daar is, en haar vader merkt dat ze stoned en zonder hem het spul heeft gerookt, dan neemt de held een sprint. Vlucht ze haar schulp in, draait ze de deur op slot, verduistert ze de ramen met een enkel kaarsje aan. Ook helden op de vlucht zijn bang in het donker.

‘Zat je weer op een Savannevlakte in Botswana?’
Haar moeder rolt haar handdoek op.
‘Nee, ik zat gewoon thuis. Met mijn ogen dicht dacht ik aan jou, wat eigenlijk geen mediteren is want dat is leegte, maar jouw energie vult de ruimte.
‘Had dat dan gezegd, dan was ik naar mijn kamer gegaan.’
‘Ik wil juist niet dat je voor mij op de vlucht slaat, bovendien had ik ook naar mijn eigen kamer kunnen vertrekken. Ik vond het juist fijn om jou te ervaren in stilte. Je hebt zo’n sterke aanwezigheid, ik word helemaal opgenomen in jouw krachtveld.’
Ze begrijpt niet zo goed wat haar moeder bedoelt, maar ze gelooft wel dat mensen energie uitstralen. Dat kent ze van haar vrienden, bij de een valt ze in slaap en bij de ander kan ze een marathon lopen. Dat zijn de fijnste mensen. Het lijkt haar niets om met iemand te zijn waarmee je de helft van je leven in slaap doorbrengt.
Haar moeder doet het goed. Ze heeft energie en probeert het, zoals ze zelf zegt, te kanaliseren. Tegenwoordig noemen ze dit ADHD, maar op de manier zoals zij het brengt belanden we op een poëtische wolk. Alsof het voorbij zweeft, zij het pakt, naar haar matje versleept en het weer wegwuift, zo de kosmos in om de energie weer neer te laten dalen op iemand die het kan gebruiken. Zo heeft ze dit altijd verteld en Elvis geloofde haar.
Ze gelooft haar nog steeds.
Haar moeder maakt de wereld mooier door dingen te verbloemen, verzacht de dag die zij misschien als hard ervaart. Ze gaat op een mat zitten en blaast het weg, Elvis loopt over de rode loper en neemt de energie die haar moeder te veel is, over.
Zo blijven ze in balans, in rust worden de mooiste dingen geschapen. Haar moeder hoeft haar mouwen niet op te stropen om een held te lijken, ze is er een. Ze is een fee die wegblaast, weg zweeft en altijd weer terugkomt, op een mat, in de kamer, op de hei onder een boom.

Foto door Alex Haraus op Pexels.com

Prakmoes van meneer Van der Woude

Dit is het verhaal van meneer Hofstee. Hij woont in de Oranjestraat naast meneer Van der Woude. De twee hebben al jaren ruzie over een thermoskan, ooit door meneer Van der Woude uitgeleend aan meneer Hofstee en zijn wandelvrienden. Eens in de maand maakt de club ‘Voorwaarts mars’ een wandeling van dertig kilometer op streekpaden, waarvoor meneer Hofstee ruim een week van tevoren zijn wandelgids doorspit. Om de kilometer zet hij een rood vlaggetje langs paden die dwars door weilanden lopen en ruiterpaden kruisen.
Als mevrouw Van der Woude zich er niet tegenaan zou bemoeien waren haar man Wim, en Harry Hofstee nog dikke vrienden. Ze roken graag samen sigaar en willen nog wel eens een kaartje leggen. Nu niet meer. Ze zijn samen chagrijnig en staren uit het raam, ze wachten op tijden van vroeger, momenten die niet meer terugkeren.

Elvis, ik vind het een grappig verhaal maar het voldoet niet aan de opdracht, nogmaals: schrijf een essay over de bekrompenheid van de samenleving. Mijn advies: trek het breder, maak het raakvlak groter, trek de buren uit elkaar en stap uit de straat.

Na een middag naar het scherm te staren, zal ze toch de vraag op tafel moeten gooien. Haar moeder schept aardappelen op, de rode kool ernaast walmt, de sudderlap snijdt ze aan met het antieke mes. Dit is een burgerlijk tafereel, het eten van een paar eeuwen terug voorgeschoteld krijgen.
‘Wij eten toch nooit zo raar?’
Een deel van de sudderlap wordt door haar moeder op haar bord gelegd.
‘Wat is hier raar aan? We vervreemden steeds meer van onze eigen cultuur als we niet eens meer een aardappel mogen eten.’
‘Sinds wanneer eten we aardappelen?’
De eerste hap glijdt al door haar vaders keel.
‘Sinds ik de Hollandse pot weer heb ontdekt. Het is een cult om weer stamppot te eten, een oude liefde die plots weer heerlijk smaakt, bovendien bevatten ze vitamine C, vezels, kalium en antioxidanten voor de weerstand.’
Haar moeder knikt instemmend en ruikt aan de rode kool.
‘Eigenlijk smaakt het lekkerder met appeltjes, maar die had ik niet in huis.’
Elvis neemt een hap van de kool.
‘Je moet het prakken,’ de vork van haar vader drukt zich in de rode smurrie, ‘kijk zo.’
Waarom zou ze dat doen, alleen al van het geluid wordt ze misselijk.
‘Het is een traditie Elvis, prakmoes voelt nu eenmaal anders in de mond. Ik vind het een sensationele ervaring, jij niet?’
Haar vader maakt een kuil in het midden, haar moeder vult het met jus.
‘Nog een beetje Els, zodat het lekker vulkaniseert.’
‘Ik vind het een smerige en burgerlijke maaltijd.’
‘Eten is niet smerig Elvis, er zijn mensen die hier een moord voor plegen.’
Haar moeder snijdt een stukje van haar sudderlap af en mengt het met de rode koolprut.
Als je hier een moord voor pleegt, ben je niet goed in de bovenkamer en zijn je smaakpapillen ziek. Ze moet nu toch eens die vraag stellen voor dat stomme essay.
‘Wat vinden jullie bekrompen?’
‘Wat of wie?,’ het glas water van haar vader schommelt in zijn hand, ‘want als je naar een persoon vraagt Elvis, dan ben jij het.’
‘Ik, hoezo?’
‘Omdat je denkt dat het eten van een aardappel een mens burgerlijk maakt.’
Het mes op haar moeders bord maakt een knarsend geluid.
‘Nou, je bent inderdaad bevooroordeeld Elvis, en dat is ook een vorm van bekrompenheid.’
‘Ik vind mezelf helemaal niet bekrompen.’
‘Nee, natuurlijk niet,’ haar vader haalt zijn hand door zijn haar, ‘ik vind mezelf ook helemaal niet knap maar ik ben het wel.’
Schaterend wipt hij op zijn stoel.
‘We worden steeds bekrompener, het is Holland op z’n smalst, we denken tolerant te zijn maar we zijn een gezamenlijke bekrompen geest. We zijn bang voor andere culturen, invloeden van buitenaf, vooruitgang, beweging, maar soms is behoudend zijn helemaal niet erg, dan wil je teruggrijpen naar iets wat je kent.’
‘Zoals de aardappel?’
Even trilt haar bord als hij hard met zijn vuist op tafel slaat.
‘Juist! En dat heeft niets met bekrompenheid te maken. Dat weet je toch Elvis? Wij zijn niet bekrompen.’
Haar moeder ruimt de tafel af.
‘Weet je wie bekrompen zijn?’
Het zal vast de overheid zijn, of de premier.
De stoel van haar vader wipt weer naar achteren.
‘Onze buren.’
De vaatwasser wordt aangezet.
‘Ja, Hofstee en Van der Woude! Die twee waren de beste vrienden en kregen ruzie om iets onbenulligs.’
Haar vader staat op en schuift zijn stoel aan.
‘Ja joh, waar ging het ook alweer over? Een boormachine, of iets anders stoms.’
‘Een thermoskan.’
‘Een thermoskan inderdaad! Hoe weet jij dat nou weer Elvis?’
Ik keek net uit mijn raam toen dat ding uit zijn rugzak op straat viel. Die ene buurman met die bril poetste hem op, maar hij lekte en had een deuk.’
De stroopwafels worden door haar vader op tafel gezet.
‘Die buurvrouw schijnt al jaren jaloers te zijn op de vriendschap tussen die mannen, die manipulatieve draak maakt zo’n kabaal dat het een wig drijft tussen die twee.’
‘Het zijn ontzettende leuke gasten met elkaar, nu zit Van der Woude de hele dag met die heks opgescheept.’
De koffiegeur reist door de kamer.
‘Dat moet een bekrompen geest zijn.’
‘Precies Elvis, een burgerlijk tafereel, ik denk dat er ’s avonds aardappelen op het menu staan die ze prakken tot moes.’
‘Ja,’ vult haar moeder aan, ‘en bij de koffie serveren ze vast stroopwafels. Wat een bekrompen geesten, brrrrr, blijf daar maar ver van uit de buurt Elvis. Bekrompenheid is volksziekte nummer een en zo besmettelijk als de pest.’

Foto door Sunsetoned op Pexels.com


Altijd zes


‘Moet je kijken Elvis, wat ik nu weer heb gevonden!’
Stefan pakt de afstandsbediening.
‘Mam, we zitten middenin een documentaire.’
‘Kijk nou toch, moet je eens lezen.’
Haar moeder komt aangesneld en houdt een vel papier omhoog, Elvis pakt het velletje aan, Stefan leest mee,

‘Mijn vader is een verzamelaar,
hij rookt een Cubaanse klapsigaar
die hij uit een kistje tovert
waarmee hij mama’s hart verovert.’

‘Vind je het niet enig? Zo koddig, je moet een jaar of zes zijn geweest.’
Met een plof neemt haar moeder plaats op de bank.
Ze heft haar billen op en haalt de chipszak weg.
‘Elvis kon al op jonge leeftijd rijmen.’
‘Dichten,’ Stefan neemt een graai uit de zak.
‘Nou, op die leeftijd heet dat rijmen hoor, zoals je doet op vijf december.’
Hij leest de tekst nog eens door, ‘ik vind het anders een knap gedichtje voor een zesjarige.’
Haar moeder gaat er voor zitten en trekt haar benen op de bank.
‘En weet je wat nou zo bijzonder is, dat sigarenkistje hebben we nog steeds, het staat bij Elvis’ vader op de werkkamer.’
Stefan heeft door dat de documentaire op zich laat wachten en strekt zijn benen uit.
‘O echt? Eigenlijk is het best een dubbelzinnig gedichtje.’ Hij neemt de regels nog eens door.
Het wordt tijd dat Elvis zich er tegenaan gaat bemoeien, wat overdreven om zo gestoord te worden omdat haar moeder toevallig iets opduikt.
‘Het is een versje,’ ze kijkt haar moeder aan die met haar handen onder haar hoofd steeds dieper de bank inzakt, ‘meer niet.’
Stefan leest het weer over.
Elvis grist het papier weg. ‘Wat hebben jullie? Het is geen Shakespeariaans werk, het is een simpel versje.
Ik had er een hele reeks van.’
‘O echt? Heb je er nog meer van?’
Haar moeder gaat recht op zitten, ‘het is zo bijzonder en nog met de handgeschreven ook, waar vind je nog zoiets?’
‘Op elke kinderkamer hoor mam, alleen had je er vroeger weinig oog voor.’
‘Nou, dat geloof ik niet, misschien dat je net op het verkeerde moment aan me zat te trekken.’
‘Een verkeerd moment van vijftien jaar lang.’
‘Nou ja Elvis, doe niet zo pathetisch.’
Natuurlijk doet haar moeder weer de wisseltruc, ze vangt de bal op, voelt dat hij lucht lekt en gooit hem terug.
‘We gaan even verder kijken mam.’
Het is nu wel even genoeg geweest. Haar moeder verveelt zich natuurlijk nu al haar vriendinnen in quarantaine zitten of laveloos op de bank gesprekken voeren met hun teennagels.
‘U mag anders wel meekijken,’ Stefan knikt naar Elvis, ‘toch?’
Ze kan natuurlijk onmogelijk zeggen dat ze daar geen zin in heeft, liever leunt ze tegen de Tommy Hilfigertrui aan zodat ze naar zijn hart kan luisteren.
‘O, heerlijk, ik haal even wat dadels.’ Gehaast sloft haar moeder de keuken in, ‘willen jullie ook wat?’
‘Neemt u maar twee biertjes mee.’ Stefan knijpt Elvis in de wang, ‘zo erg is het toch niet, je moeder is best gezellig.’
Met de dadels en biertjes op haar schoot gaat ze naast Stefan zitten.
‘Heerlijk om even naast jouw jonge God plaats te nemen, Elvis. Waar gaat de documentaire eigenlijk over?’
‘Over digibetisme.’ Elvis hoopt dat ze afhaakt.
‘O, daar heb ik ook last van, daarom val ik als een blok voor zo’n geschreven rijmpje.’
Vroeger had ze er nooit oog voor en opeens plaatst ze Elvis op een troon alsof ze de dichter des Vaderlands is.
Haar moeder schatert om de grap die Elvis al honderd keer heeft gehoord. Ze kan er maar het beste van maken en er gewoon naast blijven zitten.

Ze moet echt eenzaam zijn om zomaar aan te schuiven. Hoe moet het als zij over een paar jaar op kamers gaat, hoe vult ze dan haar dagen in? Elvis ziet de lege bank voor zich, ze zal haar teennagels lakken, de versjes teruglezen en verlangen naar de middag van dadels en bier.
‘Kom bij me zitten, als je even met je ogen knippert zijn we zo weer negen jaar verder.’
Haar moeder neemt een slok bier, terwijl ze nooit bier drinkt en laat vervolgens een boer, wat ze onbehoorlijk vindt.
‘Drink je niet mee?’
Elvis heeft geen zin te vertellen dat haar moeder haar flesje leegdrinkt en haar plek inneemt, de bank bezet terwijl ze tegen die trui wil aanleunen.
Ook wil ze niet erkennen dat zij net zo bang is voor de tijd, en ergens altijd zes had willen blijven. Als je kunt rijmen over beren, konijnen en sigaren denk je in eenvoud en ben je alle ismes voor, nazisme, calvinisme, narcisme, seksisme, vulgarisme. Eenmaal ouder moet je daar een mening over vormen en met je moeder kijken naar een documentaire over digibetisme, terwijl zij er doorheen tettert en jij het wilt volgen.
En als je dan eindelijk op een leeftijd bent dat je je grenzen kunt aangeven en je moeder een halt wilt toeroepen, doe je een beroep op je emotie, die je zegt dat er besef is. Dat als je een keer met je ogen knippert alles anders kan zijn. Je moeder kan dood neervallen en je vriend kan je verlaten, die ene vriendin laat je barsten en de telefoon knalt uit elkaar.
In die wetenschap blijft Elvis zitten en geniet ze van een saaie documentaire, naast haar moeder op de bank. Haar voeten rusten op Elvis’ schoot. Elvis fluistert de teennagels iets toe, maar nagels praten alleen terug tegen degenen van wie de tenen zijn, waar ze op rusten.
En daar kom je weer achter als je wat ouder bent, een kind hebt, op de bank naast haar zit, jong wilt lijken en jouw dochter contact legt met jouw teennagels, die uiteraard zwijgen.
Natuurlijk weet Elvis dat, maar als je eenmaal met je ogen knippert kan alles anders zijn.