Altijd zes


‘Moet je kijken Elvis, wat ik nu weer heb gevonden!’
Stefan pakt de afstandsbediening.
‘Mam, we zitten middenin een documentaire.’
‘Kijk nou toch, moet je eens lezen.’
Haar moeder komt aangesneld en houdt een vel papier omhoog, Elvis pakt het velletje aan, Stefan leest mee,

‘Mijn vader is een verzamelaar,
hij rookt een Cubaanse klapsigaar
die hij uit een kistje tovert
waarmee hij mama’s hart verovert.’

‘Vind je het niet enig? Zo koddig, je moet een jaar of zes zijn geweest.’
Met een plof neemt haar moeder plaats op de bank.
Ze heft haar billen op en haalt de chipszak weg.
‘Elvis kon al op jonge leeftijd rijmen.’
‘Dichten,’ Stefan neemt een graai uit de zak.
‘Nou, op die leeftijd heet dat rijmen hoor, zoals je doet op vijf december.’
Hij leest de tekst nog eens door, ‘ik vind het anders een knap gedichtje voor een zesjarige.’
Haar moeder gaat er voor zitten en trekt haar benen op de bank.
‘En weet je wat nou zo bijzonder is, dat sigarenkistje hebben we nog steeds, het staat bij Elvis’ vader op de werkkamer.’
Stefan heeft door dat de documentaire op zich laat wachten en strekt zijn benen uit.
‘O echt? Eigenlijk is het best een dubbelzinnig gedichtje.’ Hij neemt de regels nog eens door.
Het wordt tijd dat Elvis zich er tegenaan gaat bemoeien, wat overdreven om zo gestoord te worden omdat haar moeder toevallig iets opduikt.
‘Het is een versje,’ ze kijkt haar moeder aan die met haar handen onder haar hoofd steeds dieper de bank inzakt, ‘meer niet.’
Stefan leest het weer over.
Elvis grist het papier weg. ‘Wat hebben jullie? Het is geen Shakespeariaans werk, het is een simpel versje.
Ik had er een hele reeks van.’
‘O echt? Heb je er nog meer van?’
Haar moeder gaat recht op zitten, ‘het is zo bijzonder en nog met de handgeschreven ook, waar vind je nog zoiets?’
‘Op elke kinderkamer hoor mam, alleen had je er vroeger weinig oog voor.’
‘Nou, dat geloof ik niet, misschien dat je net op het verkeerde moment aan me zat te trekken.’
‘Een verkeerd moment van vijftien jaar lang.’
‘Nou ja Elvis, doe niet zo pathetisch.’
Natuurlijk doet haar moeder weer de wisseltruc, ze vangt de bal op, voelt dat hij lucht lekt en gooit hem terug.
‘We gaan even verder kijken mam.’
Het is nu wel even genoeg geweest. Haar moeder verveelt zich natuurlijk nu al haar vriendinnen in quarantaine zitten of laveloos op de bank gesprekken voeren met hun teennagels.
‘U mag anders wel meekijken,’ Stefan knikt naar Elvis, ‘toch?’
Ze kan natuurlijk onmogelijk zeggen dat ze daar geen zin in heeft, liever leunt ze tegen de Tommy Hilfigertrui aan zodat ze naar zijn hart kan luisteren.
‘O, heerlijk, ik haal even wat dadels.’ Gehaast sloft haar moeder de keuken in, ‘willen jullie ook wat?’
‘Neemt u maar twee biertjes mee.’ Stefan knijpt Elvis in de wang, ‘zo erg is het toch niet, je moeder is best gezellig.’
Met de dadels en biertjes op haar schoot gaat ze naast Stefan zitten.
‘Heerlijk om even naast jouw jonge God plaats te nemen, Elvis. Waar gaat de documentaire eigenlijk over?’
‘Over digibetisme.’ Elvis hoopt dat ze afhaakt.
‘O, daar heb ik ook last van, daarom val ik als een blok voor zo’n geschreven rijmpje.’
Vroeger had ze er nooit oog voor en opeens plaatst ze Elvis op een troon alsof ze de dichter des Vaderlands is.
Haar moeder schatert om de grap die Elvis al honderd keer heeft gehoord. Ze kan er maar het beste van maken en er gewoon naast blijven zitten.

Ze moet echt eenzaam zijn om zomaar aan te schuiven. Hoe moet het als zij over een paar jaar op kamers gaat, hoe vult ze dan haar dagen in? Elvis ziet de lege bank voor zich, ze zal haar teennagels lakken, de versjes teruglezen en verlangen naar de middag van dadels en bier.
‘Kom bij me zitten, als je even met je ogen knippert zijn we zo weer negen jaar verder.’
Haar moeder neemt een slok bier, terwijl ze nooit bier drinkt en laat vervolgens een boer, wat ze onbehoorlijk vindt.
‘Drink je niet mee?’
Elvis heeft geen zin te vertellen dat haar moeder haar flesje leegdrinkt en haar plek inneemt, de bank bezet terwijl ze tegen die trui wil aanleunen.
Ook wil ze niet erkennen dat zij net zo bang is voor de tijd, en ergens altijd zes had willen blijven. Als je kunt rijmen over beren, konijnen en sigaren denk je in eenvoud en ben je alle ismes voor, nazisme, calvinisme, narcisme, seksisme, vulgarisme. Eenmaal ouder moet je daar een mening over vormen en met je moeder kijken naar een documentaire over digibetisme, terwijl zij er doorheen tettert en jij het wilt volgen.
En als je dan eindelijk op een leeftijd bent dat je je grenzen kunt aangeven en je moeder een halt wilt toeroepen, doe je een beroep op je emotie, die je zegt dat er besef is. Dat als je een keer met je ogen knippert alles anders kan zijn. Je moeder kan dood neervallen en je vriend kan je verlaten, die ene vriendin laat je barsten en de telefoon knalt uit elkaar.
In die wetenschap blijft Elvis zitten en geniet ze van een saaie documentaire, naast haar moeder op de bank. Haar voeten rusten op Elvis’ schoot. Elvis fluistert de teennagels iets toe, maar nagels praten alleen terug tegen degenen van wie de tenen zijn, waar ze op rusten.
En daar kom je weer achter als je wat ouder bent, een kind hebt, op de bank naast haar zit, jong wilt lijken en jouw dochter contact legt met jouw teennagels, die uiteraard zwijgen.
Natuurlijk weet Elvis dat, maar als je eenmaal met je ogen knippert kan alles anders zijn.