Kleine Karen in de krater

Fragment uit de roman ‘Elvis’


Met opgetrokken knieën plaatst ze haar zolen tegen de wand, ze bewegen dan weer links richting Mars, dan weer rechts naar Jupiter. De kamer met foto’s van sterren en planeten neemt haar mee een donkere wereld in.
Het patroon van haar zolen tekent kraters op de wand, hoe stevig ze ook haar schoenen afzet, ze geven niet terug, geen deining, geen geluid.
Hoe diep zakten de moonboots van Armstrong weg in het maanstof?
Ze heeft een groot ontzag voor ruimtevaarders, de drang om te pionieren op een onbekend hemellichaam vereist moed. Ze begrijpt de keuze om hem als eerste mens de maan te laten bewandelen. Zijn bescheidenheid bracht hem ver. In die tijd ging het om gedrevenheid, een vuur dat van binnen gloeide. Niemand gebruikte een zelftimer om zijn ego te vergroten, mensen zouden je verwaand vinden, een egocentrisch zelfingenomen mens.
Armstrong was een baanbreker, een maanverkenner die zijn leven gaf voor alle generaties na hem. Na zijn terugkeer werd hij als held ontvangen, scholen kregen zijn naam, hij dronk thee met de president, mensen dachten dat de roem hem gelukkig maakte. Iedereen wilde de hand voelen van de man met zijn buitenaardse aura. Zijn vingers hadden de maan aangeraakt maar niemand wist dat zijn reis een veel kleiner doel had. Armstrong wilde geen geschiedenis maken met zijn eerste stap op de maan. Gedurende de tocht in de Apollo 11 had hij nauw contact met zijn overleden dochtertje, haar armbandje droeg hij mee in zijn sok. De talisman kriebelde onder zijn linker voetzool. De vetkussens hadden door de jaren heen al heel wat doorstaan maar moesten nu het zilveren bandje verdragen dat als een slang onder zijn zenuwen kronkelde. Het maakte zijn missie nog dwingender, hij moest zo snel mogelijk van het armbandje af zodra hij op de maan was geland.
Hij verdiende door zijn heimelijke missie een sokkel, naast de Amerikaanse vlag. Na zijn eerste stappen voelde hij ondanks de gewichtloosheid, een aardse zwaarte. Tijdens de negenvijftig meter die hij aflegde, het planten van de Amerikaanse vlag, wat onderzoekjes, enkele geschoten foto’s, en wat maansouvenirs die hij in zijn tas stopte, zocht hij naar een geschikte krater. Hij had zijn kind dan wel op aarde begraven maar wilde haar laten voortleven op het meest bezongen hemellichaam.


Elvis kan haar gedachtes niet stoppen, wat moet die man wel niet hebben gedacht? Hij was net geland, op de voet gevolgd door zo’n zeshonderd miljoen kijkers, met het besef dat zijn naam onsterfelijk zou worden. Elke stap die hij zette werd ademloos meegeteld in al die huiskamers, als hij zou struikelen werd zijn naam niet aan de maandlanding gelinkt maar aan zijn valpartij. Behoedzaam liep hij over het maanlandschap. Na de plaatsing van de vlag had hij zijn vrouw beloofd te zwaaien maar dat deel sloeg hij over. Hij zou nooit serieus worden genomen na zo’n circusact, dus begon hij aan zijn tweede opdracht en zocht naar een krater met de juiste opening.
Hoe waren zijn stappen voor hij stilhield? Het was uiteindelijk toch een tweede afscheid. Hij liet iets dierbaars van zijn dochter Karen achter in een eenzame wereld. Twijfelde hij toen het ding uit zijn handschoen de krater ingleed? Had hij het terug willen pakken maar beletten zijn dikke handschoenvingers het? Of was zijn missie eindelijk volbracht en was het een opluchting, een verlossing om definitief los te laten?
Karen leeft door op de plek die haar vader onsterfelijk maakt, de maan als bekroning van zijn liefde. Zijn daad is heroïsch, in zijn verlies overwon hij de maan. Zo’n vader zou zij zich wensen, een man die grote stappen zet.


‘Elvis, kom van dat bed af, je moet naar school.’ Haar vader staat met zijn tandenborstel in de deuropening.
Zou hij ook voor haar zo’n daad stellen? Hij zou haar dood niet aankunnen. Misschien probeert hij te overleven door drank en weemoedige liedjes op zijn gitaar, maar de leegte zou hem opvreten. Hij reed zich vast te pletter of nam een overdosis slaappillen.
Ze komt het nooit te weten. De dochter van Armstrong wel, die zag alles vanuit haar eigen universum, in de dood was zij springlevend.
Ze loopt de trap af en grist een appel mee. Haar vader geeft haar jas aan.
‘Wat droom je toch Elvis?’
‘Hoe zou het zijn om in het niets te verdwijnen, opgenomen te worden in oneindigheid of een andere wereld die wij niet kennen?’
‘Waarom wil je dat weten, ik schrik ervan.’
‘Jij vraagt je toch ook weleens dingen af, hoop ik?’
‘Het lijkt me zo definitief om in een oneindigheid te worden opgeslokt.’
Opgenomen, niet opgeslokt, jij maakt een horrorversie van iets fascinerends. Astronauten hebben geen tijdsbesef meer, de tijd is oneindig, ze handelen veel doelgerichter, maken keuzes die doordacht zijn, er zijn nu eenmaal beperkingen op de maan.’
‘Ik kan me wel iets leukers voorstellen dan dat oneindige niets van jou. Trouwens, die maan is een erg overtrokken ding, hele generaties houden zich bezig met haar stand, en dan dat poëtische gehijg van mensen die de maan bezingen. Vanaf de aarde is het niets meer dan een lichtbol.’
Elvis pakt haar sleutels. ‘Kijk naar Armstrong, die was verlicht na zijn overwinning op jouw lichtbol. Je beredeneert het bestaan tot een grijs kwartet muizen.’
‘Armstrong zat onder de dope, die was zo verlicht als een veertje.’

Ze stapt op de fiets en kijkt naar boven. Kleine Karen in de krater opgenomen in de wereld van tijdloosheid. Het lijkt haar wel wat. Al die restricties, verwachtingen, alles is gerelateerd aan tijd. Haar vaders woorden van onbegrip zijn alweer verpulverd tot leegte. Wat zo betekenisvol lijkt, vervliegt mettertijd.
Kleine Karen zit daar goed in de krater op de lichtbol. Vanaf de maan gezien zijn wij niets meer dan een zwart puntje, voorbijgangers in de tijd. (……)

Foto door Pixabay op Pexels.com