Wie zwijgt, stemt toe

Zijn vingers volgen de plooien van haar lijf. In cirkelvorm wandelen ze een trage tocht. Stefan heeft nooit haast, het is zijn manier van leven, zoals haar vader van slow cooking houdt en ’s morgens om zes uur de ingrediënten voorbereidt voor de maaltijd van die avond. Stefan neemt de tijd voor haar, misschien heeft hij rust omdat hij ouder is.
Jongens van haar eigen leeftijd weten nog van niets. Ze hebben geen controle over hun eigen lijf, laat staan over dat van haar. Hun klamme handjes pakken, prakken en plakken. Soms doen ze het al in hun broek voordat er nog maar iets is gebeurd. Jongens van bijna achttien zijn rustiger, ze hebben al wat meegemaakt en doen er niet zo wiebelig over.
Volwassenen doen ook altijd zo raar over seks, ze durven het woord amper uit te spreken. Toen haar lichaam veranderde en de mannelijke aandacht langzaam van moeder ook naar dochter verschoof, kwam haar moeder aarzelend met een boekje aan, met een blote vrouw op de voorkant. Een man zat geknield voor haar, met zijn hoofd tussen haar benen.
‘Kijk maar niet naar de foto voordat ik het een en ander heb toegelicht.’
Elvis keek naar de rug van de man waar een puist op zat. Aan het kapsel van de vrouw te zien kwam het boekje diep uit de vorige eeuw. Die puist konden ze in de tijd niet zomaar wegpoetsen natuurlijk.
‘Elvis, ik zeg toch, kijk niet zo naar die foto!’ Haar moeder draaide snel het boekje om, Elvis keek naar dezelfde vrouw die in een handomdraai van positie was veranderd. Met opgeheven hoofd zat ze tussen zijn knieën, haar rug zo glad als een bananenschil. ‘Mam, je hoeft me niets uit te leggen hoor, ik weet alles al.’
De mond van haar moeder stond open. ‘Er zit een koekkruimel op je tong.’
De mond sloot zich. ‘Hoezo weet jij alles al?’
‘Die dingen gebeuren gewoon, zonder hulp van zo’n boekje.’
‘Maar je bent nog zo jong Elvis.’
‘Ik ben ouder dan je denkt hoor, ik ben al bijna zestien. Bovendien is het maar een werkwoord, net zoals eten en drinken. Ik vind het allemaal niet zo bijzonder.’


Stefans rode hoofd hangt boven haar, het staat op ontploffen. Zijn blik is geconcentreerd alsof hij een ontsteker uit een bom moet zien te halen. Hij lijkt te lijden, er kan geen lachje vanaf, en als hij dan eindelijk de bom tot ontploffen brengt, is hij nog steeds op de vlucht. Zijn adem gaat zo snel alsof hij achterna wordt gezeten door de bloedhonden uit de Duitse Krimi die ze samen kijken. Zijn hoofd richt zich op van haar buik. ‘Vond je het fijn?’
Dat zijn van die stomme vragen. Jongens zijn altijd zo onzeker, die voortdurende vraag naar bevestiging is onnodig. Als ze het niet fijn vond, ging ze niet met hem om, liet ze hem niet toe in het bommenparadijs, en waren zijn handen niet om haar middel geslagen. Het woordje ‘fijn’ was ook al zo ongelukkig gekozen. Fijn is de zijde van haar jurkje, het zand tussen haar vingers op vakantie, haar pas gewassen haar, het tricottruitje.
En als ze antwoord geeft, krijgt ze minstens twee vervolgvragen. ‘Hoe fijn was het op de schaal van een tot tien, en wat vond je precies fijn?’
Daar doet ze niet aan mee. Het maakt het plat, zo plat als een pannenkoek. Je eet hem op, je vertelt de kok hoe goed hij smaakt en neemt er nog een. Woorden zijn soms onnodig, zwijgen zegt zoveel meer.
Zijn vragende blik kijkt tegen haar op. Voorzichtig trekt ze hem aan zijn hoofd omhoog, behoedzaam omdat hij zo breekbaar is. Nu hij zo boven haar hangt en haar antwoord in spanning afwacht, betreedt ze de wereld van houden van. Dat is een raar gevoel, alsof je vliegt en telkens de grond wilt voelen maar na iedere landing toch weer opstijgt.
Ze veegt een lok uit zijn ogen en draait hem op de rug. Hij kijkt opzij en opent zijn mond om voor een tweede keer de vraag te stellen. Ze legt haar vinger op zijn lippen, strijkt met haar hand zijn haar achter zijn oren en kust hem teder op de mond.


illustratie